Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

broek - (drassig lang)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

broek 2 zn. ‘laag gelegen moerassig land’
Onl. bruoc, brōk in de plaatsnamen Brokhem (onbekende ligging, wrsch. in Noord-Holland) [918-48; Künzel 100] en Bruocsella ‘Brussel’ [966; Gysseling 1960, 198]; mnl. bruec ‘moeras’ [1240; Bern.], broec [1260-80; CG II, Nibel.], brouck.
De herkomst van dit alleen in West-Germaans gebied overgeleverde woord is onduidelijk.
Mnd. brok ‘moerasland’ (nnd. brok); ohd. bruoh ‘moerasland’ (nhd. Bruch); ofri. brōk ‘moeras’ (nfri. broek); oe. brōc ‘stortvloed, rivier, beek’ (ne. brook ‘beek’).
Gezien de beperkte overlevering in een gebied dat aan dat van de Kelten grensde, wordt er vaak van uitgegaan dat de Germaanse vorm is overgenomen uit Keltisch *brāgo- (< pie. *mrōgo-), dezelfde wortel als *m(e)r (IEW 738) in Oudiers mruig ‘landstreek, hoeve’ en Welsh bro ‘district’, en verwant met → mark 1 ‘stuk grond’. Op die manier zou broek ook verwant zijn met Nederlands breugel (in plaatsnamen) ‘omheind stuk bos, jachtgebied’ en zijn varianten bruul, broel, briel (Gysseling) < Keltisch *brogilo, afgeleid van Keltisch *broga ‘streek, land’. Kluge vermoedt dat pgm. (maar alleen in de West-Germaanse talen terechtgekomen) *brōka- ‘moerasland’ verwant is met pgm. *brak- ‘moeras, stilstaand water’ en dat hieraan pie. *mreg- (bij *mer- ‘watertjes, moeras’) ten grondslag ligt, waaruit ook → meer 1 ‘water’ stamt. Dan zou het ook verwant zijn met → brak 2 en → brijn. Gezien de geringe verspreiding en het betekenisveld ‘landschap’ moet hier echter, net als bij die laatste twee woorden, waarschijnlijk gedacht worden aan een substraatwoord.
Lit.: M. Gysseling (1954) Gents vroegste geschiedenis in de spiegel van zijn plaatsnamen, Antwerpen, 41

EWN: broek 2 zn. 'laag gelegen moerassig land' (918-948)
ANTEDATERING: bruok in de plaatsnaam Brucheim [868, kopie 18e eeuw; ONW]
Later: in Latijnse context in in palustro sive bruco 'in het moeras of de broek' [1091-1100; ONW]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

broek2* [laag liggend, slecht afwaterend, veelal drassig of onderstaand land, zompland] {in de vroegere plaatsnaam Brokhem (ligging onbekend) <918-948>, broec, brouc 1201-1250} middelnederduits brōk, oudhoogduits bruoh [moeras], oudengels brōc [beek] (engels brook); men heeft verwantschap geopperd met breugel, voorkomend in plaatsnamen en afkomstig van een kelt. woord voor land.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

broek 2 [Aanvullingen De Tollenaere 1969]: volgens E. Polomé, RBPhH 44, 112 [1966] zou het verband tussen germ. *brōk- ‘moeras’ en gall. *bracu- ‘moeras’ W. Meyer-Lübke, REW 1258a), dat in fr. brai [12de e.] ‘modder’, oudprov. brac ‘modder, etter’, ital. braco, brago ‘slijk’ voortleeft, nader onderzocht moeten worden.

broek 2 znw. o. ‘moeras’, mnl. broec, brouc m., mnd. brōk o., ohd. bruoh o. (nhd. bruch) ‘moeraslanď. Daarnaast oe. brōc m. ‘beek, stroom’ (ne. brook ‘beek’). Het woord is verwant met het onder breugel genoemde kelt. *brogilo, afleiding van *brog ‘streek, land’.

Wat de betekenisovergang betreft, kan men denken aan de funktie van moerassen als de grensafscheiding tussen stammen, zoals dat ook de bossen waren. — Het verschil in betekenis tussen het eng. en de andere westgerm. woorden is begrijpelijk; ook mhd. ouwe betekent tegelijk ‘water, stroom’ en ‘waterig land, eiland’. — Voor oudere verklaringen zie FW 94 o.a. die als ‘gebroken land’ bij breken.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

broek II (moerasland) znw. o., mnl. broec (brouc) m. (zoo nog wvla.), zelden o. = ohd. bruoh o. (nhd. bruch m. o.), mnd. brôk o. “moerasland”. Misschien = ags. brôc m. “beek, bergstroom” (eng. brook). Men brengt broek òf als “gebroken land” bij breken (waarbij met dgl. bet.-ontwikkeling als beek ook ags. brôc?) òf — waarschijnlijker — bij een basis mreĝ-, waarvan ook gr. brágos hélos (Hes.) kan komen; de verdere combinatie met mhd. murc, on. morkinn “verrot”, kymr. braen “id.”, obg. mrŭznątibdeluttesthai” is zeer onzeker. Mreĝ- (of met velare g?) is eer een verlenging van de bij meer I. besproken basis. Zie ook brak II.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

broek 2 o. (drasland), Mnl. broec + Ohd. bruoch (Nhd. bruch), Ags. bróc (Eng. brook, beide = beek); ablaut bij breken, met de bet. water dat uit den grond opbreekt.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

broek 'moerassig, drassig land'
Onl. bruoc, brôk, mnl. bruec 'moeras', broec, brouck, ofri. brôk 'moeras', nfri. broek, mnd. brok 'moerasland', ohd. bruoh 'moerasland', oe. brôc 'stortvloed, rivier, beek'. Het betreft oorspronkelijk laag gelegen drassig land aan een waterloop, dat regelmatig wordt overstroomd. Een 15e-eeuws glossarium omschrijft broek met lat. palus 'zompland'. Als het broek werd drooggelegd, werd het meestal gebruikt als gemeenschappelijk hooiland, dat dan vaak ter bevordering van de vruchtbaarheid 's winters onder water werd gezet. In deze verschoven betekenis treffen we broek ondermeer aan in Brabant en Limburg. Gezien de tot het West-Germaans beperkte overlevering, in een gebied dat aan dat van de Kelten grensde, wordt er vaak van uitgegaan dat de Germaanse vorm is overgenomen uit Keltisch *brâgo- 'streek, land', maar de geringe verspreiding en het betekenisveld (landschap) doen eerder denken aan een substraatwoord1.
Oudste attestaties in plaatsnamen: 918-948 kopie 11e eeuw Brokhem (ligging onbekend, in Zuid-Holland?), 1076 Brvoche (oude naam van het kasteel → Biljoen bij Velp, Gl)2.
Lit. 1EWN I 384v, 2Künzel e.a. 1989 100.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

broek ‘laag drassig land’ -> Frans dialect bruec ‘moeras’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

broek* laag drassig land 0918-948 [Claes]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

merk-1, merg̑-, merǝk-, merǝg̑- ‘morschen, faulen, einweichen’, ursprünglich = (mer-), merk- ‘aufreiben’ (S. 737), jedoch schon grundsprachlich durch die Beziehung auf die Feuchtigkeit verselbständigt, mrǝku- ‘Sumpf’

Lat. marceō, -ēre ‘welk, schlaff sein’, marcidus ‘welk, schlaff’, marcor ‘Welkheit, Morschheit, Schlaffheit’; gall. bracis ‘Getreideart zur Malzbereitung’; mir. mraich, braich, cymr. corn. brag ‘Malz’, d. i. ‘eingeweichtes, gequollenes Getreide’; gallorom. *bracu- (*mraku-) ‘Morast’ (: slav. *morky ds.), cymr. brag-wellt ‘Sumpfgras’; gall. mercasius ‘Sumpf’, afrz. marchais; gall. embrekton ‘eingetunkter Bissen’ (daraus lat. imbractum); mir. brēn, cymr. braen (*mrakno-) ‘morsch, faul’; mhd. mer(e)n, mnd. meren ‘Brot in Wein oder Wasser eintunken’ (*merhen), lit. merkiù, mer̃kti ‘(Flachs) einweichen’, ablaut. mirkstù, mir̃kti ‘im Wasser liegen’, markýti ‘einweichen’, markà ‘Flachsröste’, lett. marks ds., mę̄̀rka ‘Feuchtigkeit’, mḕrcêt ‘tunken’; klr. morokvá ‘Morast’ (Umbildung aus *morky), wruss. mjaréča ds. (*merki̯ā).
merg̑- in gleicher Bed. (vgl. S. 736 mer-, merg- ‘aufreiben’):
Alb. mardhem ‘fröstle, schauere’, marth m. ‘starker Frost’ (= slav. *morzъ); air. meirc (nir. meirg) ‘Rost’, mergach ‘runzlig’ (*mergi-); nir. meirgeall ‘Rauhheit’, cymr. merydd ‘feucht, träge’; merddwfr ‘Brakwasser’, abret. mergidhaam ‘hebesco’ (bret. mergl ‘Rost’ ist ir. Lw.); mhd. murc ‘morsch, welk’, nisl. morkinn ‘morsch, mürbe von Fäulnis’, aisl. morkna ‘morsch werden’; bulg. mrъzel ‘Faulheit’, aksl. mrъzitь (*miržīti) „βδελύττεσθαι“, slov. mrziti ‘ekeln’ (Basis *merǝg̑-), vgl. ahd. bruoh ‘Moorboden, Sumpf’, mnd. brōk, ndl. broek; damit ist als ‘Kälte infolge Nässe’ oder als ‘Gänsehaut’ (vgl. air. meirc ‘Runzel’) identisch aksl. po-mrъznǫti ‘frieren’, mrazъ, russ. moróz (ebenfalls Intonation der schweren Basis) ‘Frost’.

WP. II 281 f., WH. II 36 f., 129, Trautmann 182, 187.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal