Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bril - (optisch hulpmiddel)

Etymologische (standaard)werken

H. Beelen en N. van der Sijs, ‘Woordsprong’, serie in: Onze Taal 2013-2021

Bril

‘Op 1 april verloor Alva zijn bril.’ In dit rijmpje, bekend van de geschiedenisles over de Tachtigjarige Oorlog, verwijst bril naar Den Briel. Dat die plaatsnaam op deze manier kon worden verbasterd, wijst erop dat het woord bril toen, in de zestiende eeuw, allang was ingeburgerd.
De bril is inderdaad al veel eerder uitgevonden, rond 1300, en de naam dook een eeuw later op. Andere talen hebben er andere woorden voor: in het Frans is het lunettes (‘maantjes’), in het Engels glasses (‘glazen’), in het Russisch otsjki (‘oogjes’) en in het Zweeds glasögon (‘glazen ogen’). Alleen het Nederlands en het Duits kennen het woord bril (Brille). Bril(le) is een verkorting van beril, een bepaalde halfedelsteen.
Uit geslepen beril werden in de Middeleeuwen kijkvenstertjes gemaakt waarmee de inhoud van relikwieënkasten vergroot kon worden weergegeven, en leesstenen om de letters van handschriften beter leesbaar te maken. Omwille van het gemak werden deze geslepen glazen op den duur in een montuur gevat en op de neus geplaatst.
Via het Latijnse beryllus en het Griekse berullos stamt het woord beril (en dus bril) van het Indische woord veruliya af, dat uiteindelijk teruggaat op de Zuid-Indische stadsnaam Velur (thans Belur), de plek waar de halfedelstenen ooit werden gewonnen. Het hoofdbestanddeel van beril wordt gevormd door een scheikundig element dat in 1798 werd geïsoleerd, en sindsdien bekendstaat als ‘beryllium’.

Op de bril gaan
Aanvankelijk, rond 1300, konden brillenglazen alleen bol worden geslepen; het zou meer dan een eeuw duren voordat men de kunst van het slijpen van holle lenzen onder de knie had. Uit Brugge stamt de allereerste afbeelding van een bril met zulke ‘concave’ lenzen: het schilderij Madonna met kanunnik Joris van der Paele van Jan van Eyck (1436). De leesbril die de knielende kanunnik in de hand houdt, was – behalve een teken van bijziendheid – een symbool van rijkdom en eruditie.
De oudste Nederlandstalige vindplaats van het woord bril kan eveneens worden gelokaliseerd in Brugge: “Elc volghet gheerne sijnre natueren, Al keki duer den bril” (‘Elk volgt graag zijn natuur, al moet je soms kijken met een bril om dat te zien’). Deze wijsheid is te vinden in het Brugse Gruuthuse-handschrift (ca. 1400).
Toen in 1608 te Middelburg de verrekijker werd uitgevonden, werd dit toestel aanvankelijk ook ‘bril’ genoemd. Om deze te onderscheiden van de gewone bril, sprak men aanvankelijk van een ‘nieuwe’ of ‘lange bril’. Vanaf 1624 kwam het woord verrekijker op, een leenvertaling van het in 1611 door Galilei gemunte telescoop.
Ook andere voorwerpen waarvan de vorm aan een bril deed denken, werden bril genoemd. Het bekendste voorbeeld is de toiletbril, die al wordt vermeld in het oudste woordenboek van het Nederlands, het Etymologicum teutonicae linguae (1599) van de Antwerpse lexicograaf Kiliaan. Als tweede betekenis van bril noemt hij ‘sedes latrinae perforata’: een wc-zit met een gat. Hier ligt ook de oorsprong van de uitdrukking op de bril gaan.

Roze bril
Betekenisuitbreiding vond ook plaats in overdrachtelijke zin. Eind zestiende eeuw vroeg Dirck Volckertsz. Coornhert, de bekende voorvechter van godsdienstvrijheid en verdraagzaamheid, zich af: “brengt elc, hy zy Catholijck of anders, wie hy wil, niet selve syn eygen brille (ic meyne [= bedoel] veroude opinie ende stercke impressie) met hem?” En hij vervolgt: “Is dese brille root, groen, geel ofte blaeu, al ’tgunt [= hetgeen] dat daer deur ghesien wordt, sal seker schijnen moeten in zijn ooghen van sodanigen verwen [= kleur] te zijn als sijnen brille is, al waren oock de dingen die hy siet contrarie [= heel anders] van verwe.” Coornhert moest de beeldspraak nog toelichten, maar een halve eeuw later was de uitdrukking iets door een gekleurde bril zien algemeen verbreid. In 1645 schreef de dichter Jacob Westerbaen smalend over Vondel: “Hy ziet nu niet als [= uitsluitend] door geverwde brillen.”
Sinds eind negentiende eeuw spreken we van ‘door een roze bril kijken’ wanneer iemand de zaken uitsluitend van de gunstige kant bekijkt. Met Coornhert en Westerbaen voor ogen hoeven we niet letterlijk aan roze (zonne)brillen te denken. De kleur roze staat hier voor optimisme. De zegswijze is vermoedelijk ontleend aan een van onze buurtalen; in het Engels (rose coloured glasses) en het Frans (lunettes roses) waren soortgelijke figuurlijke uitdrukkingen al eerder, rond 1840, in omloop.
Ook zonder kleur is het overdrachtelijk gebruik van het woord bril in de zin van ‘zienswijze, perspectief’ populair. Denk aan recente boektitels als De bril van Darwin (Mark Nelissen, 2000), De bril van God (Maarten ’t Hart, 2002), en, jawel, Door de bril van de taal (Guy Deutscher, 2012).
[Hans Beelen en Nicoline van der Sijs (2016), ‘Bril’, in: Onze Taal 4, 23.]

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

bril zn. ‘optisch hulpmiddel’
Mnl. al keeki duer den bril ‘al keek hij door de bril’ [1350-1400; MNW-R]; vnnl. bril ‘deksel, met rond gat, van het gemak’ [1599; Kil.].
Verkorting van mnl. beril ‘beril, halfedelsteen’ (berillen (mv.) ‘berillen’ [1287; CG II, Nat.Bl.D]), ontleend aan Latijn bēryllus < Grieks bḗrullos < Middelindisch vēruliya (Sanskrit vaidūriya). Vermoed wordt dat dit uiteindelijk teruggaat op de Zuid-Indische stadsnaam Vēlūr (tegenwoordig Bēlūr).
Mnd. berille; mhd. berille, burille, brill(e) (nhd. Brille); nfri. bril(le), brul; nde. brille.
Rond 1300 werden in Noord-Italië de eerste brillen gemaakt; ze werden genoemd naar het materiaal waaruit ze vervaardigd werden: de halfedelsteensoort beril. Geslepen beril werd gebruikt om van reliekschrijnen en monstransen de inhoud zichtbaar te maken, waarbij de optische eigenschappen duidelijk werden. Als stofnaam wordt beril, beryl nog steeds internationaal gebruikt.
De klemtoon in mnl. beril lag op de tweede lettergreep, zodat de onbeklemtoonde -e- in de eerste lettergreep verdween.
Het woord voor ‘bril’ werd aanvankelijk in het Nederlands, net als nu nog in bijv. Frans lunettes, Engels spectacles, glasses, vaak in het meervoud gebruikt: een bril bestond immers (meestal) uit twee glazen: Bril, oft brillen [1573; Thes.].
De betekenis ‘deksel van het gemak, wc-bril’ is vermoedelijk ontstaan uit een betekenis ‘rond voorwerp met een gat erin’, die uit de betekenis ‘bril’ voortkwam.
Buiten het Germaans komt de vorm alleen voor in Frans besicles (mv.) ‘rond (archaïsch) model bril’, dat teruggaat op Oudfrans bericles (mv.) [1328], met verandering van -r- naar -s-.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bril [glazen om beter te zien] {1401-1500} van beril; de eerste brillenglazen in de late Middeleeuwen werden van dit mineraal gemaakt.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

Lakense bril

Ik herinner mij uit mijn jeugd dat mijn moeder placht te zeggen: ‘Daar moet ik mijn lakense bril bij opzetten’, wanneer zij te kennen wilde geven dat zij iets nauwkeurig en scherp wilde bekijken, bijvoorbeeld een fijn handwerk. Wij hebben hier te maken met een schertsende zegswijze, wat wel duidelijk blijkt uit de toevoeging die men er soms bij vindt: met de fluwelen glazen. Er is wel eens gedacht aan de betekenis: halfmasker die het woord bril ook kan hebben. Die maskers waren dikwijls van laken of fluweel, maar veel zin heeft dit verband niet, want men droeg geen masker om scherp te zien. Moet er misschien worden gedacht aan een bril uit Laken? Dan is de toevoeging ‘met fluwelen glazen’ uit later tijd, toen men de plaatsnaam als stofnaam ging opvatten.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bril znw. m., mnl. bril, laat mhd. brille, berille is afgeleid van lat. beryllus, zie: beril. Van deze glasheldere halfedelsteen werden oorspronkelijk de brilleglazen vervaardigd.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bril znw., mnl. bril m. Uit *beril (zie beril). De brillen, ± 1300 uitgevonden, werden in ’t eerst vooral van beril gemaakt. Evenzoo mhd. berille, barille, brill(e) m. (nhd. brille v.), mnd. berille (± 1411) “bril”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

bril. Nhd. brille v. ospr. mv. bij laat-mhd. b(e)rille m.. Evenzo mnd. berille ‘bril’ bij mnd. beril ‘beril’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bril m., Mnl. brille + Mhd. en Nhd. brille, hetzelfde woord als beril (z.d.w.) dat reeds in ’t Mlat. een oogglas beteekende. Bril in saamgest. diernamen: wegens een of ander teeken in den vorm van een bril.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

brèl (zn.) bril; Middelnederlands bril <1350-1400>.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

bril: (vaak voorafgegaan door domme) (jeugdtaal) intellectueel type; wijsneus. Een synoniem is het Engelse woord nerd*. Vgl. boekenwurm*, kamergeleerde*.

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

bril (van Latijn beryllus)

E. Sanders (1995), Geoniemenwoordenboek, Amsterdam

Beril is een doorschijnend of halfdoorschijnend mineraal, waarvan de naam door sommige etymologen wordt afgeleid van de Zuidindiase stad Belur, 200 kilometer ten noorden van Calicut. Uit geslepen, heldere stukken beril werden in de middeleeuwen in Italië de eerste brillen gemaakt. Het element beryllium is in 1798 door Nicolas Louis Vauquelin in beril ontdekt en ernaar genoemd.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Bril, van ’t Lat. beryllus: de naam van een doorzichtig edelgesteente. Men sleep hiervan platte schijfjes, die men in reliekenkastjes zette, opdat de geloovigen de relieken des te beter konden zien. Ook het minder kostbare bergkristal gebruikte men er wel voor. Door slijpers van deze glaasjes van beril (letterlijk: berillenglazen) werd ons oogglas uitgevonden (± 1300), dat den naam van bril behield en nog heeft, al wordt geen beril, maar bergkristal gebruikt.
Ook het Fr. briller (= schitteren) en een brillant (schitterende edelsteen) herinneren nog aan het oude beril.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bril ‘glazen om beter te zien; wc-zitting’ -> Deens briller ‘glazen om beter te zien’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors briller ‘glazen om beter te zien’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds brillor ‘glazen om beter te zien’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins (p)rillit ‘glazen om beter te zien’ <via Zweeds>; Ests prillid ‘glazen om beter te zien’ (uit Nederlands of Nederduits); Indonesisch † bril ‘glazen om beter te zien’; Javaans bril, grobog-bril ‘stilletje, draagbaar kamergemak’; Creools-Portugees (Batavia) brillo, briloe ‘glazen om beter te zien’; Papiaments brel ‘glazen om beter te zien’; Sranantongo brel, breri ‘glazen om beter te zien’; Saramakkaans beéi ‘glazen om beter te zien’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bril glazen om beter te zien 1401-1500 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

107. Op den eersten April verloor Alva zijn bril,

d.w.z. op den eersten April (1572) verloor Alva de stad Den Briel. Dit rijmpje verving reeds vroeg een ouder gezegde: de Hertog krijget een Bril op die Neuse, alwaar onder bril moet worden verstaan een dwangmiddel, een pen; Alva's macht werd door de inneming van den BrielDeze stad werd ook buiten woordspel wel Den Bril genoemd. gebreideld, gefnuikt. Zeer spoedig daarna moet dit gezegde vervangen zijn door het bekende rijmpje, dat Bor, Ned. Oorl. 6, 266 a reeds vermeldt: Men hoorde vast onder de Borgheren hier ende daar tot sijn (Alva's) spot aldus rijmen: Den eersten dach van April verloos Duc d' Alva sijnen Bril. Het Ndl. Wdb. III, 1382, waaraan dit alles is ontleend, voegt hierbij: ‘weliswaar drukte het niet zoo krachtig als het vorige uit dat Alva's macht door die verovering gefnuikt was; doch het beval zich daarentegen, behalve door het rijm en door toespeling op den 1sten April, den van ouds bekenden gekkendag, bovenal ook hierdoor aan, dat het verliezen van een bril voor de meesten eene duidelijker woordspeling bevatte dan het op den neus krijgen er van (vooral toen later een bril op den neus krijgen niet overal meer gangbaar was): immers Alva had dien dag Den Briel verloren, niet gekregen’.Zie Tijdschrift XI, 25-31; XVI, 70-71; XXXI, 43-44; XXXV, 70.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal