Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

briket - (blok brandstof)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

briket zn. ‘blok brandstof’
Nnl. in turf briquetten (mv.) ‘langwerpige stukken turf’ [1883; WNT turf I], briquet, briquette ‘brandstof’ [1886; Kramers].
Ontleend aan Frans briquette ‘langwerpig stuk brandstof’ [1835; Rey], eerder al ‘baksteen’ [1612; Rey], verkleinwoord van brique ‘stuk, brok’ [eind 12e eeuw]. Het Franse woord is op zijn beurt weer ontleend aan mnl. *bricke (vnnl. bricke, brycke ‘tichelsteen, baksteen’ [1550; MNW calcsteen], nu nog gewestelijk brik ‘baksteen’; ook Engels brick). De betekenis van Frans brique was tot in de 16e eeuw ‘brok, stuk, kruimel’; dit doet vermoeden dat dit ook de oorspr. betekenis van mnl. *bricke is geweest, zodat het in de groep rond het werkwoord → breken thuishoort.

EWN: briket zn. 'blok brandstof' (1883)
ANTEDATERING: de zoogenaamde "briquets" 'zeker kolenproduct' [1855; NRC 14/1]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

briket [stuk brandstof] {1883} < frans briquette < middelnederlands bricke [brik] (vgl. brik3, briquet).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

briket znw. v., laat-nnl. < fra. briquette, dat zelf van brique ‘gebakken steen’ gevormd is. Het komt eerst in de 16de eeuw voor en daarom is een afl. uit een mnl. bricke ‘tichelsteen’ aannemelijker, dan die uit een frank. woord *brika; waarsch. niet van het ww. breken (Gamillscheg 149), want zie: brik 2.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

briket znw. Jong-nnl. ontl. uit fr. briquette, van brique “gebakken steen”; hiervan oudnnl., nog zuidndl. brik “id.” Oorsprong onzeker.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

briket. Fr. brique zal wel uit het Ndl. of Ndd. ontleend zijn: laat-mnl. bricke ‘tichelsteen’, dat van mnd. bricke m. ‘(houten) schijf, schotel’ niet te scheiden is, en bij breken behoort. Nnl. dial. komt brik in velerlei speciale bett. voor, o.a. ‘dominosteen, baksteen, puin’.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

briket s.nw.
1. Langwerpige, saamgeperste stuk brandstof, bv. uit steenkoolgruis met pik. 2. Vierkantig-langwerpige stuk van 'n ander stof.
In bet. 1 uit Ndl. briket (1883). In bet. 2 mntl. uit Eng. briquette (1883) 'blok kunsmatige klip'.
D. Brikett (19de eeu), Fr. briquette.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

briket (Frans briquette)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

briket ‘stuk brandstof’ -> Indonesisch brikét ‘stuk brandstof’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

briket stuk brandstof 1883 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal