Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

brij - (pap)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

brij zn. ‘pap’
Mnl. bru ‘pap’ [1240; Bern.], bri ‘id.’ [1350-1400; MNW].
Mnd. bri; ohd. bri, brīo (nhd. Brei); nfri. brij; oe. brīw (me. bre); < pgm. *brīwa- ‘brij’.
Afleiding van de wortel pie. *bher- ‘opborrelen, koken’ (IEW 132) veronderstelt een niet aanwijsbare uitbreiding *bhrei(H)-. Het woord zou indirect verwant kunnen zijn met → braden en → branden en voorts met Latijn frīgere ‘roosteren’; Grieks phrúgein ‘roosteren, bakken, braden’ (IEW 137); zie ook → brui.
Het woord komt thans in de betekenis ‘pap’ in de standaardtaal uitsluitend nog voor in vaste samenstellingen als → balkenbrij en rijstebrij ‘pap van rijst en melk’. De tegenwoordige toepassing van het simplex is louter nog overdrachtelijk, bijv. een brij van modder, een brij van woorden.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

brij* [pap] {bri, bry 1477, vgl. bru 1201-1250} middelnederduits bri, oudhoogduits bri, brio, oudengels briw, buiten het germ. latijn friare [stukwrijven], frigare [roosteren], welsh briw [wond, gebroken].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

brij znw. m., mnl. brī, mnd. brī, ohd. brio, brī (nhd. brei), oe. brīw. — Gaat men uit van een grondvorm *brīwa, dan kan men aanknopen aan lat. frigō, gr. phrúgō ‘roosteren, laten drogen’. Men kan deze woorden op idg. wt. *bhrei en *bhreu terugvoeren en dan als afleidingen van *bher ‘koken, roosteren’ beschouwen (IEW 137).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

brij znw., mnl brî m. = ohd. brîo, brî (nhd. brei) m., mnd. brî m., ags. brîw m. “brei”. Misschien als idg. *mrí-wo- bij mr(e)i- “wrijven”, waarvan ook kunnen komen kymr. briw “fragmentum, fractus”, lat. frívolus “onbeduidend” (“frivola sunt proprie vasa fictilia quassa”. Festus), refrîva “faba”, frio “ik wrijf stuk”. Deze woorden zouden ook op een wortel bhrei- kunnen teruggaan, maar oi. mri-t-ya-ti “hij valt uiteen, lost zich op” zal er ook wel bij hooren (zie breed); verder wellicht obg. brĭselije “scherven” (mrit-s). M(e)rei- is een verlenging van de basis mer(e)- (zie murw). De etymologie: brij bij gr. brīthús “zwaar” (mrî-) is onwsch. Mnl. brû m. “een soort brij of pap” (nog vla.) heeft wsch. evenals spuwen klankwettige uw uit heterosyllabische (in de casus obliqui) -î-w-. Of is brû identisch met mnl. brû “brouwsel”, bij brûwen (zie brouwen I)?

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

brij. Andere, even onzekere combinatie bij WP. II, 159: met vocalische verlenging ten slotte bij de idg. wortel *bher- ‘koken, opbruisen’, die bij beer IV vermeld is, en waartoe, met andere verlengingen, ook braden, branden, broeden, bron worden gebracht. Bij deze hypothese worden de in het art. genoemde lat. kelt. slav. oi. woorden anders beoordeeld: WP. II, 194.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

brij v., Mnl. bri, met labialisatie Mnl. en Vla. bru + Ohd. brîo (Mhd. brîe, Nhd. brei), Ags. bríw: gaat terug op Idg. wrt. bhreiw, uitbreid. van bhrew (z. brouwen).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

brie zn.: brij, dikke pap. Wvl. bru. Mnl. bru, bri ‘pap, brouwsel, brij’, Mnd. bri, Ohd. bri, brîo, D. Brei, Oe. brîw, Me. bre < Germ. *brîwa ‘brij’. Vgl. D. Brühe, E. broth ‘bouillon’.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

brie (A, ZV), zn. m.: dikke pap, brij. Var. van Wvl. bru. Mnl. bru 'brouwsel, brij, pap', Vnnl. brue, bruwe, broeye 'ius, iusculum, liquamen, sobitio, brodium' (Kiliaan). D. Brühe, E. broth 'bouillon'. Limburgs broei(e), breui 'vleesnat'. Ook Fr. brou 'bouillon'. Zie ook broeien.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

bru (B, D, lp, O, R), bruw, bruuj (K), zn. m.: brij, dikke pap van tarwebloem en boekweitbloem. Mnl. bru ‘brouwsel; brij, pap’; Vroegnnl. brue, bruwe, broeye ‘ius, iusculum, liquamen, sorbitio, brodium’ (Kiliaan); D. Brühe, E. broth ‘bouillon’. Limburgs broei(e), breui ‘vleesnat’. Ook Ofr. brou ‘bouillon’. Zie ook broeien.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

bry I: “papperige kooksel”; Ndl. brij (Mnl. bri), Hd. brei, wsk. verb. m. Oeng. brīg/brīw, “pap”, en mntl. m. Eng. brew en broth, maar onseker.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

brij ‘pap’ -> Amerikaans-Engels dialect bry ‘karnemelkse pap’.

N. van der Sijs (2009), Yankees, cookies en dollars, Amsterdam

Amerikaans-Engels bry, ook brie, brij, karnemelkse pap, meestal gemaakt van gerst en gegeten met suiker of stroop (DARE).
- Van Nederlands brij ‘pap, moes’; overgenomen in de negentiende of twintigste eeuw en regionaal alleen in gebruik in gebieden waar Nederlanders zijn gevestigd. Zie ook balkenbrij.
* Vroeger vormde brij in Nederland het gewone dagelijkse volksvoedsel; het bestond uit een half vast, half vloeibaar kooksel van een gemalen graansoort met melk of water. In de VS zijn de ingrediënten van het gerecht enigszins aangepast.
1970 Something she used to fix [was made] with barley and she called it [brai] ... You’d eat it with brown sugar on it ... It’s not as thin as soup. It’s more like rice pudding except that it’s barley. And that’s a typically Dutch dish. (DARE)
1981 The word brij occurs especially in the names of two Dutch dishes, both of which involve a brewing or mixing process— balken brij, and soepen brij (which is also simply called brij). Soepen brij is white. It’s a buttermilk pap—barley boiled in buttermilk. It has to be eaten with syrup on it. Balken brij contains scrap meat from a hog. Traditionally, the mixture was placed in a flour sack and hung from the balken (beams or rafters) where it cured and dried for at least a month or two. It is eaten sliced and fried, with syrup. Balken brij is usually made in early November at hog-butchering time and often eaten around Christmas. (DARE)

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

brij* pap 1477 [Teuth.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1100. Als de kat om de heete brij loopen,

d.w.z. om eene zaak heen draaien, er niet op ingaan, besluiteloos zijn; vroeger ook om ongeduldige begeerte uit te drukken (Cats II, 260 b; De Brune, 150Jan v. Leeuwen (14de eeuw) gebruikt de uitdr. in den zin van ‘zijn voordeel zoeken’: Mer die ghene die nu predicken, bichten, leeren, ende tvolc tsijnre ewegher salicheit weert berichten souden, die gaen bina al omme als die catte omme den heeten brie, soe soekense ende meinense ende besorghense behindelijc hem selven in allen dinghen (Tijdschr. XXXIV, 179).). Vgl. Harreb. I, 90; Nw. School I, 92: Je zwijgt, en als er over geschreven wordt, dan wekje 't medelijden op met examen-allures. In goed Hollandsch: met er omheen te draaien als een kat om de heete brij; De Arbeid, 4 Sept. 1915, p. 1 k. 4: Onze vriend Tamminga heeft er uitstekend slag van om als hij eens een keer tot de orde geroepen wordt over zijn onverantwoordelijk geschrijf, om de zaak heen te draaien als een kat om de heete brij; Het Volk, 29 Juli 1915, p. 2 k. 2: De sprekers waren genoodzaakt, als de kat om de heete brij te loopen, en van een flink protest tegen de veroveringsplannen kon geen sprake zijn; Haagsche Post, 7 Febr. 1920, p. 194 k. 3: Lloyd George draait om het vredesvraagstuk heen als de kat om de heete brij; hd. wie die Katze um den heissen Brei herumgehen oder um den Brei herumgehen; fr. tourner autour du pot; vgl. lat. lupus circa puteum saltat; gr. λυκος περι το φρεαρ χορευει (Borchardt no. 651). Hiernaast dialectisch: Hij loopt als een kat op de heete brei, niet opschieten, iets willen zeggen, maar niet weten hoe het in 't vat te gieten, loopen als de kip die zijn ei niet kwijt kanN. Taalgids, XIII, 133 (op Goeree en Overflakkee)..

1224. Veel koks bederven (of verzouten) de brij.

‘'t Wil beduiden, dat men best een zaak bevolen laat aan eenen, die ze verstaat’ (Tuinman I, 106); te velerlei raad is schadelijk; ‘mangel van eenheid in bestuur van zaken is vaak hoogst nadeelig’ (Weiland); ook: veel doctoren veroorzaken den dood van een zieke. Zie Servilius, 81: Daer veel coqs syn, daer wordt die pappe versouten; Huygens, Korenbl. II, 364:

Uytleggers sonder end bekladden Boeck aen Boeck,
Terwijls' elck even heet voor haer gevoelen vechten;
En ick, in dat gedrangh, en vind niet dat ick soeck:
't Gaet vast, dat heel veel kocks bederven goe gerechten.

In Zuid-Nederland: vele sleutels verwerren het slot (Schuerm. 775 b naast veel koks verzouten den brei (Joos, 170); mlat. plus vigilum quanto, minor est custodia tanto. De Grieken zeiden: veel veldheeren hebben Carië in 't verderf gestort, en keizer Hadrianus beweerde op zijn sterfbed dat veel doktoren den keizer het leven hadden gekost (Gids, Oct. 1902, bl. 94). Zie voor andere talen Wander II, 1447-1448; fr. trop de cuisiniers gâtent la sauce; hd. viel Köche verderben (versalzen) den Brei (die Sauce, die Suppe, das Mus); eng. (too) many cooks spoil the broth.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

bher-2 etwa ‘aufwallen’, von quellendem oder siedendem Wasser (auch vom Aufbrausen beim Gähren, Kochen, sowie vom Feuer) ‘sich heftig bewegen’, oft mit m-Formans; auch als schwere Basis bherǝ- : bhr̥̄-, bh(e)rēi-, bh(e)rī̆-. Vgl. bher-6.

Ai. bhuráti (*bhr̥̄-é-ti) ‘bewegt sich, zuckt, zappelt, Intens. jár-bhurīti ds.; auch: ‘züngelt, vom Feuer’; bhuraṇyáti ‘zuckt, ist unruhig; setzt in heftige Bewegung, rührt um, rührt auf;’ mit m-Formans ai. bhramati, bhrāmyati ‘irrt umher, dreht sich herum’, bhramá-ḥ ‘wirbelnde Flamme, Strudel’, bhŕ̥mi-ḥ ‘beweglich; Wirbelwind’ (s. unten aisl. brimi usw.); bhū́rṇi-ḥ ‘heftig, zornig, wild, eifrig’, dürfte als *bhr̥̄ni- ebenfalls auf der schweren Basis beruhen;
hierher wohl av. avabaraiti ‘strömt herab’, uzbarǝnte ‘sie strömen hervor (?)’, barǝnti ayąn ‘an einem Tag, wo es stürmt’.
Aus dem Gr. πορφύ̄ρω (*πορφυρι̯(ω) ‘walle auf, woge auf, bin in unruhiger Bewegung’ (: ai. járbhurīti); vermutlich auch φύ̄ρω ‘vermenge, bringe durcheinander’ (wenn ursprgl. vom Durcheinanderrühren beim Kochen; Gdf. *bhori̯ō mit durch den Labial bedingter u-Färbung des Reduktionsvokales), wozu φύρδην ‘durcheinander’, φυρμός ‘Verwirrung’, φυράω ‘mische, rühre durcheinander, knete, verwirre’.
Über lig. und ven. Namen s. unten.
Alb. burmë ‘vollreif’ (*gargekocht) aus *bhormo-.
Aus dem Lat. wahrscheinlich fretum und fretus, -ūs ‘Wallung des Meeres, bes. Meerenge; Brausen, Wallen, Hitze’, fretāle ‘Bratpfanne’;
fermentum ‘Gärungsstoff, Sauerteig’ (: ags. beorma, engl. barm, nd. barme, woraus nhd. Burme ‘Bierhefe’); auch fervēre S. 144;
Air. topur, nir. tobar ‘Quelle’ (*to-uks-boro-), mir. commar = cymr. cymmer ‘Zusammenfluß’ (*kom-bero-); lig. FlN Comberanea; mir. fobar ‘Quelle, unterirdischer Bach’ = cymr. gofer ‘Bach’, bret. gouver ds. (*u[p]o-bero-), cymr. beru ‘träufeln’, mbret. beraff ‘fließen’, gall. FlN Voberā, frz. Woevre, Voivre usw.; mit m-Formans kelto-lig. aquae Bormiae, GN Bormō, hisp. ON Bormāte, FlN Borma, dak. ON Βόρμανον, ven. FlN Formiō (aber gall. GN Borvō gehört zu bhereu- ‘wallen’). Über mir. brēo ‘Flamme’ s. unten.
Ags. beorma m. usw. (s. oben); von einer Wzf. *bh(e)rē- : bh(e)rō-: ahd. brādam m. ‘Hauch, Hitze’, mhd. brādem ‘Dunst’, nhd. Brodem, ags. brǣð ‘Dunst, Hauch, Wind’ (engl. breath), aisl.brāðr ‘hitzig, hastig’, brāð ‘beteertes Holz’, brāðna ‘schmelzen’, intrans., ahd. brātan, ags. brǣdan ‘braten’; ablaut. mnd. bröien ‘sengen, brüten’, mhd. brüejen, brüen, nhd. brühen, ags. brōd f., engl. brood ‘Brut, Zucht’; mhd. bruot f. ‘Hitze, Brut’, ahd. bruoten ‘brüten’; unbekannter Herkunft sind ahd. brāto m. ‘weiches eßbares Fleisch’ (Braten erst seit mhd. Zeit zu ‘gebratenes Fleisch’ umgedeutet), nhd. Wildpret, anord. brādo ‘Wade’, spätlat. entlehnt brādo ‘Schinken’, ags. brǣde m., aisl. brāð ‘rohes Fleisch’.
Neben der sehr fruchtbaren Wzf. bhereu- (s. dort) ist wohl auch bh(e)rē̆i-, bh(e)rī̆- anzuerkennen. Auf diese kann bezogen werden ai. jar-bhurī-ti, gr. *φυρι̯-ω, *πορφυρι̯-ω (s. oben); mit m-Formantien vermutlich gr. φριμάω, φριμάσσομαι ‘bewege mich unruhig, springe, schnaube’; aisl. brimi ‘Feuer’; mengl. brim ‘Glut’, wahrscheinlich auch aisl. brim n. ‘Brandung’, ags. brim n. ‘Meer, See’; die in brühen, Brodem, braten vorliegende Bedeutungsfärbung kehrt wieder in norw. prim ‘eine Art aus saurem Molken unter starkem Kochen bereiteter Käse’ (auch nhd. Brimsenkäse), mdartl. auch brīm ‘ds.; auch Kruste, Bodensatz einer eingekochten Flüssigkeit’ (nhd. bair. Brimsen, Brinzen ‘was sich beim Mus angebräunt an der Pfanne festsetzt’); daneben mit formantischem -u̯o- sehr wahrscheinlich ahd. brīo, mhd. brī(e), ags. brīw ‘Brei’ (als ‘*Sud, Gekochtes’), briwan ‘kochen’; hierzu auch mir. brēo ‘Flamme’ (*bhri-u̯o-).
Eine s-Erw. vielleicht in ai. bhrḗṣati ‘wankt, schwankt’, norw. mdartl. brīsa ‘anfflackern, glänzen, prangen; Feuer anmachen’, brīs ‘Feuer, Flamme’, brisk ‘lebhaft, munter’.

WP. II 157 f., WH. I 482 f., 546, 865.Vgl. die verwandten Wurzelformen bhereg- ‘kochen’, bhereu- ‘wallen’, bhreus- ‘schwellen’, bhrīg-, bhrūg- ‘kochen, braten’

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal