Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

brie - (kaassoort)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

brie [kaassoort] {1901-1925} < frans brie, genoemd naar Brie, de streek rond de samenvloeiing van Seine en Marne, waar deze kaas oorspronkelijk vandaan kwam.

Thematische woordenboeken

J. van de Kamp en J. van der Wijk (2006), Koosjer Nederlands: Joodse woorden in de Nederlandse taal, Amsterdam; inclusief ongepubliceerde aanvullingen door de auteurs

brie: sap, soep, jus, saus, kookvocht; briekoggel: zie koggel (koegel), gekookt met appels, peren of ander ooft | < Jidd. < D. brühe: vleesnat, saus, bouillon. ■ Als een gerecht te waterig was, zei men spottend: dat is het werk van de mallech brie (de engel die, volgens de joodse legende, met de zorg voor de regen is belast en die zijn populariteit dankt aan zijn optreden in het regengebed bij het slot van het Loofhuttenfeest). De brie is (kost) meer als de brokken: de bijzaak is (kost) meer dan de hoofdzaak. Vgl. het sop is de kool niet waard. Ka brie, ka bone: als ik geen saus (voordelen, rechten) krijg, wil ik ook geen bonen (nadelen, plichten). Mach kaan brie: maak niet zo’n ophef.
Geen sjmie of brie: geen kraak of smaak (oorspr.: geen sjmie of rie: geen gehoor of gezicht)

— Al vijf-en-dertig jaar rozijnen-water. Voor zich en zijn Sien was dat zo erg niet; maar hij schaamde zich zijn ogen uit zijn hoofd, als Eilieje-nowe reis mocht komen en hij moest hem dan een glas rozijnen-brie geven. Als-ie nou ’s een echte fles wijn kon kopen met een zegel erop voor zestien stuivers... maar hoe komt-ie dan aan een kurketrekker? (M. DE HOND, 1909)
— “Na, los er hühner kaafen die kosjten hier 8 stüber, un los er se noch Amsjterdam schicken dou bezahlen ze ’n gülden!” “Och dat is sjtos, waar heeft die man geld om ’t er in te steken? Voor ’n paar kippen is ’t de moeite niet waard en voor een partij moet je kapitaal hebben. En bovendien wie moet ze halen? En plukken? En verkopen? Als hij daarvoor iemand in Amsterdam moet hebben dan kost de brie meer as de brokken want die wil ook verdienen.” (EEN DORPSREBBE [PS. VAN H. DE VRIES UIT BORCULO], 1924)
— Mag [op de Jodenbreestraat] niet ’n evangelische blekersjongen ’n twee-handen-vol-pekel-brie slurpen van ’t lozende augurkies-vaatje? (M. DE HOND, 1926)
— De winter met zijn “zooger” erwten, in de vermaarde “brie”. (JAAP MEIJER, 1948)
— Het wekelijkse bezoek aan het mikwe (rituele bad) was overigens geen pretje, want het water werd niet vaak ververst en het aantal gebruikers was zeer talrijk. Ik herinner me nog, hoe mijn oom thuis kwam en op de vraag van mijn moeder of hij naar het mikwe was geweest met zekere berusting mededeelde: “Ich bin gewesen in de brie van Rebbe Jossef”. (REBECCA KISCH-SPITZ, 1952)

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

brie (Frans brie)

H. Beem (1975), Resten van een taal: woordenboekje van het Nederlandse Jiddisch, Assen

brie soep, jus, vocht, waarin iets gekookt is; nhd. Brühe.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

brie kaassoort 1370 [Bouc van den ambachten] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal