Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bres - (gat (in muur))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

bres zn. ‘gat (in muur)’
Vnnl. bresse, bressche ‘gat in muur’ [1588; Kil.].
Ontleend aan Frans brèche ‘breuk, bres’ [1119; Rey], dat teruggaat op Frankisch *breka- of ohd. brehha ‘breuk’. Uiteindelijk behoort het dus bij de groep van het werkwoord → breken.

EWN: bres zn. 'gat (in muur)' (1588)
ANTEDATERING: bressen cloeten 'ronde kogels om bressen te schieten (?)' [1516; iWNT artillerie]
Later: een zeer groote bresse 'een zeer grote bres' [1575; iWNT slagorde]; de bres gemaeckt in Plutoos poort [1625; iWNT ruggelings]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bres [opening in vestingmuur] {bress(ch)e 1588, bresse} < frans brèche [idem], uit het germ., vgl. oudhoogduits brecha, nederlands breuk, van breken.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bres znw. v., eerst bij Kiliaen < fra. brèche < ofrank. *breka ‘breuk’, bij breken.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bres znw., sedert Kil. Evenals hd. bresche v. uit fr. brèche, dat weer van een germ. verbaalnomen bij breken komt.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bres v., uit Fr. brèche, zelf ontleend aan ’t Germ. breken.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

bres 1, bresse, dres, prest, zn.: hoop, grote menigte, kudde(varken); brok afzakkende aarde, groot stuk dat ergens afbreekt, ongeval. Ook Vlaams bres(se). De oorspr. bet. is ‘bres, gat in een muur’, vandaar ‘groot stuk dat afscheurt of afbreekt nadat een bres is gemaakt’ > ‘grote hoeveelheid’. Vnnl. bresse, bresche ‘bres in een muur’; Fries bres(se), D. Bresche, E. breach. Uit Fr. brèche, dat zelf weer teruggaat op Onl. (Frankisch) breka ‘breuk’, dat beantwoordt aan Ohd. brehha. De var. door volksetymologische associatie met dres 1. Prest met verscherping :b/p en paragogische t alleen voor ‘menigte’.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

bresse, brezze zn. v.: brok afzakkend duinzand, steen, sneeuw, grote hoeveelheid, menigte, massa. Ook Ovl. en Wvl. De oorspr. bet is ‘bres, gat in een muur’, vandaar ‘groot stuk dat afscheurt of afbreekt nadat een bres is gemaakt’ > ‘grote hoeveelheid’. Vnnl. bresse, bresche ‘bres in een muur’; Fries bres(se), D. Bresche, E. breach. Uit Fr. brèche, dat zelf weer teruggaat op Onl. (Frankisch) breka ‘breuk’, dat beantwoordt aan Ohd. brehha.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

bresse (E, G, L, ZV), bres (B, W), brezze (A) zn. v.: brok afzakkend duinzand, steen, sneeuw (ZV), grote hoeveelheid, massa. Ook 'groep (spreeuwen)' (L, Lovendegem). Ook Wvl. De oorspr. bet is 'bres, gat in een muur', vandaar 'groot stuk dat afscheurt of afbreekt nadat een bres is gemaakt' > 'grote hoeveelheid'. Vnnl. bresse, bresche 'bres in een muur'; Fries bres(se), D. Bresche, E. breach. Uit Fr. brèche, dat zelf weer teruggaat op Onl. (Frankisch) breka 'breuk', dat beantwoordt aan Ohd. brehha.

breuzie (W), zn. v.: hoop, menigte. Wsch. < brezze, zie bresse.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

bres homp, groot stuk (Vlaanderen). = nl. bres ‘gat in een muur’ « fra. brèche « ohgd. breche ‘breuk’ (~ hgd. brechen (= nl. breken)).
De Bo 162, WVD 67.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

bresse, zn. v.: bres (gat in een muur); grote hoeveelheid, massa. Oorspr. groot stuk dat afscheurt of afbreekt nadat een bres gemaakt is. Vroegnnl. bresse, bresche ‘labefactatio muri, ruina muri’; Fries bres(se), D. Bresche, E. breach. Uit Fr. brèche, dat zelf weer teruggaat op Onl. (Frankisch) breka ‘breuk’, dat beantwoordt aan Ohd. brehha.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

bres (Frans brèche)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Bres, van ’t Fr. brèche, en dit weer van ’t Germ. brekan = breken. ’t Woord bet. dus: een breuk in den muur.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bres ‘opening in vestingmuur’ -> Duits Bresche ‘opening in vestingmuur’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bres opening in vestingmuur 1588 [Claes] <Frans

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

353. In de bres springen voor iemand,

ook zich voor iemand in de bres stellen, hetzelfde als ‘voor iemand in de bocht springen’; eig. voor iemand gaan staan in de door den vijand gemaakte opening in den vestingmuur; voor hem strijden, zijne partij opnemen, vooral tegen aantijgingen; zie Ndl. Wdb. III, 1300; hd. in (voor) die Bresche treten, ook vor den Risz treten; eng. to throw into the breach; to stand in the breach; ndl. op de bres staan voor iets. In de 17de eeuw aangetroffen in de Gew. Weuw. III, 5: Gy-lieden moet voor my in de bres springen, en weeren al mijn hoonders af; verder bij Van Effen, Spect. VI, 204: zich in de bres(se) stellen; evenzoo VI, 19 en XI, 228.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal