Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

breien - (met naalden weefsels maken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

breien ww. ‘met naalden weefsels maken’
Mnl. netten nauwe gebreit ‘dicht geweven/geknoopte netten/weefsels’ [1351; MNW gebreidet], van naeyen of van spinnen of van breyen ‘van naaien, van spinnen of van breien/weven’ [1458; MNW-P], breiden ende nayen ‘breien en naaien’ [1469; MNW-P], met enen sconen wel gebreiden groenen snoere ‘met een mooi, goed geknoopt/geweven groen koord’ [1450-1500; MNW snoer]; vnnl. braeyen ‘handwerken’ [1676; WNT].
Os. bregdan ‘vlechten, knopen’ (mnd. breiden); ohd. brettan ‘trekken, weven’ (mhd. bretten); ofri. brīda, breida ‘trekken, rukken’ (nfri. breidzje); oe. bregdan ‘trekken, rukken, vlechten’ (ne. braid ‘vlechten’); on. bregða ‘zich snel bewegen, rukken, winden’; < pgm. *bregdan- ‘vlechten, knopen’. De vormen met -ei- zijn het resultaat van palatalisering van de -g-.
De verdere herkomst is onzeker. Mogelijk is ‘vlechten’ een oorspr. betekenis bij de wortel pie. *bherH- ‘boren’ (zie → boren); zie ook → breidel. Gezien het betekenisveld (huishouden) en de beperkte verspreiding is een substraatwoord echter waarschijnlijker.

EWN: breien ww. 'met naalden weefsels maken' (1351)
ANTEDATERING: onl. gibrēdet 'gevlochten, dooreen geweven' in: [in] lampreythe wise gebreyde 'als lampreien gevlochten' [ca. 1100; ONW]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

breien* [draden strikken] {brei(d)en <1201-1300>} oudsaksisch bregdan [vlechten, knopen], oudhoogduits brettan [trekken, weven], oudfries br(e)ida [trekken, rukken], oudengels bregdan [trekken, rukken, vlechten], oudnoors bregða [rukken, snel trekken] → breidel. De uitdrukking iets in 't gelijk breien betekent eig. ‘een der naalden tot op de helft afbreien’, zodat men het breiwerk behoorlijk kan oprollen, dan fig. ‘iets dat achterwege is gebleven aanvullen’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

breien ww., mnl. breiden en breien ‘weven, vlechten’, os. bregdan ‘vlechten, knopen’, ohd. brettan ‘trekken, rukken, weven’, ofri. brida, breida ‘trekken, rukken’, oe. bregdan ‘trekken, rukken, vlechten’, on. bregða ‘zich snel bewegen, trekken, rukken, winden’.

De etymologie is niet zeker. Volgens IEW 142 zou men deze woorden moeten verbinden met mhd. brehen ‘plotseling en sterk opschijnen’, on. brjā, brā ‘opschijnen’, bragða ‘fonkelen’, die hij verbindt met de onder brasem genoemde woorden en terugvoert op een idg. wt. *bherǝḱ, bhrēḱ ‘glanzen’. De gewrongen betekenisovergang ‘glanzen’ > ‘plotseling opglanzen’ > ‘snel bewegen’ > ‘rukken’ en ‘vlechten’ maakt deze etymologie wel zeer twijfelachtig. — Het is de vraag of men voor de bet. ‘breien’ inderdaad mag uitgaan van ‘rukken, trekken’. Eerder is aan te nemen, dat hier òf twee verschillende woorden te onderscheiden zijn, òf dat beide bet. uit een gemeenschappelijke grondbet. ontwikkeld zijn. Voor breien zal men moeten uitgaan van een bet. ‘vlechten’ en dat doet vermoeden, dat hier het woord van het oude bosbedrijf uit te verklaren is (de jonge loten immers voor het vlechten van omheiningen gebruikt, waaruit zich ‘weven’ en ‘breien’ zonder bezwaar laten afleiden). Dan zou men kunnen teruggaan op de idg. wt. *bher, waarvoor zie: boren. — De vorm breien is als een ‘inguaeonisme’ op te vatten.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

breien ww., mnl. breiden (ook reeds breien) “weven, vlechten”. De d nog in N.-Holl. braaiden, fri. breidsje, gron. braiden. = ohd. brëttan “trekken, rukken, weven”, os. brëgdan “vlechten, knoopen”, ofri. brîda, breida “trekken, rukken”, ags. brëgdan “trekken, rukken, bewegen (ook intrans.), vlechten”, on. brëgða “zich snel bewegen, trekken, rukken, winden” (e.a. bett., vooral in ’t On.) Oorspr. een sterk ww. van de 3. klasse. Het eerst duidde ’t wsch. een trekbeweging aan. Oorsprong onzeker. Zoowel de combinatie met got. brahw (vgl. on. bragð o. “snelle beweging” e. dgl., maar ook “oogenblik”; over brahw zie brasem) als die met alb. breϑ “ik spring” (*bhreḱ-dhô?) zijn hoogst onzeker; ook die met arm. baƚxem “ik sla”, lett. braks “bros”. Lat. frênum “teugel, gebit” — voor de bet. vgl. breidel — zal ook wel niet verwant zijn; zeker niet russ. brozdá “id.”, lit. bruzduklas “teugel”, of lit. brìzgilas “id.”; dit (ook opr. brisgelan) eer uit germ. *briʒðila- (breidel).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

breien. Het waarschijnlijkst is toch wel de combinatie met got. brahw enz. Men moet dan aannemen, dat het ww. aanvankelijk niet een trekbeweging, maar een vlugge beweging (als bij het weven) heeft aangeduid. De bet.-overgang ‘schitteren’ > ‘vlug bewegen’ is niet zonder parallel. Vgl. glimmen Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

breien o.w., Mnl. breiden, Os. bregdan + Ohd. brettan, Ags. bregdan (Eng. to braid), Ofri. brida, On bregda = trekken, heen en weer trekken, vlechten, elders niet te vinden.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

breien (breide, heeft gebreid), vlechten. De mannen [van de Bosnegers*] dragen geen baard; het haar wordt meestal gebreid en staat als zwarte horentjes op het hoofd (Spalberg 1899; 1979: 28; oudste vindpl.). - Etym.: In AN in deze bet. veroud.; bet. verder wel ‘knopen’ (van netten) en ‘vervaardigen van kledingstukken uit draad m.b.v. breinaalden’. De SN bet. is wel gebr. in het Zeeuws (Ghijsen). Vgl. S bré = vlechten; E to braid = vlechten (van haar), to plait = vlechten (van matten enz., ook van haar).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

brei I: “met gare, wol, ens., tot ’n geheel deureenwerk, knoop”; Ndl. (al Mnl.) breien, “vleg”, naas wsk. hiperk. breiden; hou wsk. verb. m. Eng. braid (en dié m. Oeng. bregdan, “swaai, trek”), vlgs. dVri J NEW ’n Ingme. i.v.m. bosbedryf by vleg v. omheinings – dit was egter veral huise wat in die oertyd gevleg is.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Breien komt van ’t Os. bregdan, later bij ons breiden (vgl. zegde met zeide), dat vlechten, weven beteekende. (De d van breiden viel later uit, vgl. luien en luiden.) Dit bregdan komt waarschijnlijk van een Germ. wt., die trekken beteekende met het bijbegrip van een snelle beweging; bij bregdan = vlechten, weven, was immers de snel heen en weer trekkende beweging het hoofdbegrip. Aan dit woord bregdan = breiden als trekken herinnert nog breidel; werktuig om te trekken; letterlijk ’t zelfde als teugel: werktuig om te trekken (van tiegen). Daar de breidel een band (later ook een riem) was, ontstond ook het woord bretel, Fr.: bretelle.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

breien ‘draden strikken’ -> Duits dialect † breien ‘draden strikken’; Frans † brédir ‘samenvoegen (van stukken leer) met lange, dunne riemen’; Indonesisch † breien ‘draden strikken’; Javaans (di)bré, (di)ebré ‘gebreid’; Soendanees bĕre ‘draden strikken’; Papiaments † brei ‘draden strikken’; Sranantongo brei ‘draden strikken, vlechten, weven’; Saramakkaans beéi ‘draden strikken’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) braideri ‘borduursel, borduurwerk’ <via Negerhollands>.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

breien* draden strikken 1201-1300 [MNW]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

breien, manier van roeien waarbij elke inzittende twee korte roeispanen voortbeweegt.

Als een vak apart bestaat daarnaast het scullen, waarbij één, twee of vier roeiers per boot, twee riemen de man hanteren. Dit zwaardere handwerk wordt door de boordroeiers in hun naijver wel geringschattend betiteld met ‘breien’. (De Volkskrant, 24/08/85)
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

650. Iets in 't gelijk breien,

eig. gezegd van breiwerk; een der naalden juist tot op de helft afbreien, zoodat men het behoorlijk kan oprollen om het een poos te laten rusten; daarna overdrachtelijk eene verwarde zaak beredderen; Ndl. Wdb. IV, 1168. Bij C. Busken Huet wordt de zegswijze aangetroffen in den zin van tegen iets opwegen: Nu kunnen we zien, hoe het een (Verblijdt u ten allen tijde) het ander (Bidt zonder ophouden) precies in het gelijk breit;Schetsen en Verhalen, Haarlem, 1858, bl. 101. Handelsblad, 30 Maart 1916 (A.), p. 9 k 4: Beter één richting dan géén richting. Laat men dan nu maar eens een regime krijgen van eenzijdigheid in het modernisme, gelijk wij er destijds een hebben gehad een eenzijdig anti-modernisme. Dan wordt de kous weer wat in 't gelijk gebreid. In den zin van ‘van zijn kant zooveel doen dat men met een ander gelijk is, hem heeft ingehaald’, komt de uitdr. voor in Gew. Weuw. 3, 46:

Eer wy deeze Bouteille laaten heenen gleyen,
Dienden wy de conditien in 't gelyk te breyen.Ndl. Wdb. III, 1216.
Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

bherǝk̑-, bhrēk̑- ‘glänzen’, gleichwertig mit bherǝg̑-, bhrēg̑- ds. (s. dort, auch wegen doppeldeutiger Worte)

Ai. bhrā́śatē ‘flammt, leuchtet’ (unbelegt);
gr. φορκόν· λευκόν, πολιόν, ῥυσόν Hes., vgl. aber S. 134;
vielleicht hierher air. brecc ‘gefleckt’, cymr. brych ds., gall. PN Briccius (aus *bhr̥k̑-, mit expressiver Konsonantendehnung);
unsichere Vermutungen über die Herkunft von cymr. breuddwyd ‘Traum’, mir. bruatar ds. bei Pedersen Litteris 7, 18, Pokorny IF. Anzeiger 39, 12 f.; ob aus *bhroghdh-eiti-, -ro-?
mhd. brehen ‘plötzlich und stark aufleuchten’, aisl. brjā, brā (*brehōn) ‘aufleuchten’, braga, bragða ‘funkeln, flammen’, bragð ‘Augenblick’, mit ursprgl. bloß präs. -dh- auch aisl. bregða, Prät. brā ‘schnell bewegen, schwingen, vorwerfen’, ags. bregdan, brēdan st. V. ‘schnell bewegen, schwingen’, engl. braid ‘flechten’, upbraid ‘vorwerfen’, ahd. brettan, mhd. bretten ‘ziehen, zucken, weben’ (dazu ahd. brīdel, ags. brīdel, älter brigdels ‘Zaum, Zügel’);
mit Formans -u̯o- got. braƕ in in braƕa augins ‘ἐν ῥιπῃ̃ όφθαλμοῦ, im Augenblick’ (vgl. aisl. augnabragð n. ‘Augenblick, Zwinkern mit den Augen’) und dehnstufiges *brḗhwā, *brēʒwā́ in aisl. brā f. ‘Wimper’, ags. brǣw, brēaw, brēg m. ‘Augenlid’, as. brāha ‘Augenbraue’, slegi-brāwa ‘Augenlid’, ahd. brāwa f. ‘Braue’, wint-prāwa ‘Wimper’ (die Bed. ‘Braue’ von *ƀrū- ‘Braue’, idg.*bhrū-, bezogen); daß trotz Schwyzer Gr. Gr. I. 350, 4636 und Specht Dekl. 83, 162 ahd. brāwa nicht auf *bhrēu̯ā zurückgehen kann, wird durch den grammat. Wechsel im Ags. bewiesen, der eine Form mit -ku̯- voraussetzt (Sievers-Brunner 200).
Hierher wohl der Fischname ahd. brahs(i)a, brahsina, as. bressemo ‘Brassen’, norw. brasma, brasme ds., ablaut. aisl. brosma ‘eine Art Dorsch’.
Hitt. pár-ku-iš (parkuiš) ‘rein’, pár-ku-nu-uz-zi (parkunuzi) ‘reinigt’.

WP. II 169, Feist 76 f., 103 f., Couvreur H̯ 327.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal