Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

brei - (stoep)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

brei* [stoep] {ca. 1840} nevenvorm van brauw [eig.: zoom] (vgl. breeuwen).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

brei m. (loopjongen), oorspr. onbek.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

brei, braai, bra, zn.: stoep, trottoir. Afl. van (uit)breiden omdat daar vroeger het gerote vlas uitgespreid werd (Weijnen)? Of veeleer Mnl. brauwe ‘rand’, Vnnl. brauwe ‘rand’ (Kiliaan), 16e e. een hooghe grecht ende gruenbrawe ‘ophoging tussen twee velden’, Anderlecht (Stallaert). De Bo vermeldt als Wvl. brauw(e) ‘aangeaard bed, berm van een ploegvoor’, brauwken ‘wegje tussen de akkers’. Het woord is het tweede lid in wenkbrauw.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

brei tegen de huizen liggend deel van de straat, trottoir (Brabant (prov).). Afl. bij (uit)breiden; daar spreidde men het vlas na het roten uit.
Goemans 114.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal