Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

breed - (niet smal)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

breed bn. ‘niet smal’
Onl. *brēd, *breid ‘niet smal’ in plaatsnamen als Bretenheim [850-900; Claes 1994a], Bredhem ‘Breem (Noord-Holland)’ [918-48; Künzel 98]; mnl. breed ‘niet smal’ [1236; CG I, 23], breet ‘uitgestrekt’ [1260-80; CG II, Wr.Rag.], breit ‘aan de smalste zijde metende’ [1280; CG I, 493].
Os. brēd (mnd. bred); ohd. breit (nhd. breit); ofri. brēd (nfri. breed, als tweede lid van samenstellingen -bree); oe. brād (ne. broad); on. breiðr (nzw. bred); got. braiþs; < pgm. *braida- ‘breed’.
Verwanten buiten het Germaans zijn niet bekend. De precieze etymologie is dan ook onzeker. Er zou sprake kunnen zijn van een vorm zonder s- bij de wortel van het werkwoord → spreiden.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

breed* [groot, wijd] {in de vroegere Noord-Hollandse plaatsnaam Bretenheim <851-900>, breet 1236} oudsaksisch brēd, oudhoogduits breit, oudfries brēd, oudengels brād, oudnoors breiðr, gotisch braiþs, dus een algemeen germ. woord; etymologie onzeker.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

breed bnw., mnl. breet, os. brēd, ohd. breit, ofri. brēd, oe. brād (ne. broad), on. breiðr, got. braiþs.

Etymologie onzeker. 1. Petersson, IF 23, 1909, 392 vergeleek het woord met lit. beriù ‘uitstrooien, uitbreiden’; weinig overtuigend. — 2 Siebs, KZ 37, 1901, 306 dacht aan een s-loze nevenvorm naast de groep van nnl. spreiden. — 3 J. Trier, Lehm, 1951, 43 wil uitgaan van een betekenis ‘breedte van een gebied, dat omtuind is’ en verbindt daarmee dan verder de techniek van de lemen huiswand en vergelijkt dan ohd. brūo, oe. brūv brij’. Hoogst hypothetisch.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

breed bnw., mnl. breet (d). = ohd. (nhd.) breit, os. ofri. brêd, ags. brâd (eng. broad), on. breiðr, got. braiþs “breed, uitgestrekt”. Oorsprong onbekend. Verwant met oi. mrityati “hij valt uiteen, lost zich op” (zie echter blij)? Idg. mrit-, mreit-, mroit- kan een verlenging van mr(e)i- zijn (zie brij).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

breed bijv., Mnl. breet, Os. brêd + Ohd. breit (Mhd. en Nhd. id.), Ags. brád (Eng. broad), Ofri. bréd, On. breidr (Zw. en De. bred), Go. braiþs: oorsprong, onbek.; z. echter spreiden.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

breid (bn.) breed; Aajdnederlands bred <850-900>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

breed bn., (soms, ook:) wijd. Een broek met brede pijpen aan de onderkant (Waller 105). Verder bijv.: brede rok (Essed 127), brede mond (Ferrier 1968:134), brede buik (Roemer 1976: 27), breed bladerdak van een boom (Vianen 1969: 86). - Etym.: In AN in dergelijke combinaties veroud. - Zie ook: smal* (1).

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

breed (zich -- maken) (vert. van Duits sich breit machen)

W. de Vreese (1899), Gallicismen in het Zuidnederlandsch, Gent

breed. - Bij Zuidnederlandsche schrijvers treft men soms het bnw. breed aan in een verband, waar ons taalgebruik ruim vereischt; breed is in dit geval eene navolging van het gebruik van fr. large || Hij was een politicus in den breedsten zin van het woord, g. bergmann, Gedenkschr. 192. Er kan een tijd komen, waarop men een breederen gezichteinder zal hebben, en waarop de eenige vooruitgang, die nog zal te doen blijven, een sterrekundige vooruitgang zal zijn, GEIREGAT, Maatschapp. Vraagst. 128. Metteurs en scène in den breedsten zin des woords, waren de Meiningers, P. B., in Vl. School 95, 121b.
– Men zegt in het Fransch avoir la conscience large, d.i. niet nauwgezet (van geweten) zijn; de Fransche wijze van uitdrukking wordt soms nagevolgd. Men zegt in onze taal een ruim, vooraal een rekbaar geweten. || “Heb ik het niet beloofd?” vraagt Tante verontwaardigd. - “Beloven en houden is twee”, vindt Mie, wier geweten wat breeder schijnt, a. bergmann, Staas 5.
– Men zegt in het Fransch une large part, doch in het Nederlandsch kan men niet zeggen een breed deel. Er wordt een ander bijvoeglijk naamwoord vereischt, b.v. ruim. || Is er toch ook geen breed deel geluk bewaard voor hen die waardig zijn het te bekomen, BUYSSE in De Gids 1895, II, 270.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

breed ‘wijd’ -> Negerhollands breet, brēt ‘wijd’; Berbice-Nederlands brete ‘wijd’; Surinaams-Javaans bradi ‘wijd’ <via Sranantongo>.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

breed* wijd 0851-900 [Claes]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2549. De breede weg,

d.i. ‘de weg van het zedelijk verderf, van de zonde; de groote gemakkelijke, door de meeste menschen gevolgde levensweg; in tegenstelling met ‘het enge pad der deugd (fr. la voie étroite) dat tot het leven leidt’ (Ndl. Wdb. III, 1170; XII, 137; Laurillard, 64); ontleend aan Matth. VII, 13: Gaet in door de enge poorte: want wijdt is de poorte, ende breet is de wegh, die tot het verderf leyt, ende vele zijnder die door deselve ingaen.

236. Er met de grove (breede) bijl in hakken,

d.w.z. ruw, driest, ook verkwistend te werk gaan; fig. groote woorden gebruiken, snoeven. In de 17de eeuw komt de uitdr. voor bij Winschooten, 25: Hij hakter met een breede Bijl in: dat is, oneigendlijk hij gaat ruim te werk, hij snijd geweldig op. Zie ook Paffenr. 121; Van Effen, Spect. III, 36; Sewel, 142: Er met de breê byl inhakken, to exagerate, to puff, to tell stories; Halma, 260; Gy hakt'er met de kerfbyl in, vous taillez en plein drap; vous êtes un grand hableur; bl. 92: Ergens met de breede bijl in hakken, ruim spreken, faire le fanfaron; De Arbeid, 6 Maart 1915 p. 2 k. 3: De ‘kwakende leiders’ van het N.A.S. hakken er maar met de groote bijl op in. Zij vragen niet waar het vandaan moet komen. - Bij verkorting ook er in hakken, in de zegswijze hij of dat hakt er in, dat kost geld (Harreb. III, 28). Bij Molema, 152 a: d'r mit de heksebiele insloagen (of inhouen); in het fri.: hy slacht er mei de stompe bile yn, dat te vergelijken is met hy snijt omstikken, dat de sydstikken der nei fleane, eig. hij snijdt groote stukken, dat er kleine navliegen: fig. hij snijdt op (W. Dijkstra 335 a); ook bet. mei de greate (stompe) bile der ynhouwe, plompweg iets zeggen (Fri. Wdb. 138 a); hy docht it mei lange stappen en de rûge bile, in 't ruwe. In Zuid-Nederland: er diep in toe kappen, overdrijven (zie Volkskunde XI, 163); er met de klos onder slagen, misdoen, afroffelen (Antw. Idiot. 672); er met den groven borstel (fr. à la grosse brosse), de grove bijl, den groven (of vuilen) bessem deurgaan, met geweld handelen (Waasch Idiot. 106; 267); zie Ndl. Wdb. II, 2620; vgl. opsnijden en het eng. to throw, fling, sling the hatchet, opsnijden.

347. Het niet breed hebben,

d.w.z. niet ruimschoots in zijn onderhoud kunnen voorzien, zich moeten bekrimpen; breed heeft hier de beteekenis van weelderig, royaal, ruimVgl. Hor. C. 3. 2. 1: angustam amice pauperiem pati.. Sedert de 17de eeuw in de litteratuur bekend. Zie Van Moerk. 507: Al heeft men 't zoo breed niet, zoo hou ik nog veul van een eerlijk geslagt. Vandaar: Die 't breed heeft, laat het breed hangen dat men spottend zegt van iemand, die goede sier maakt, doch wien het eig. niet past, hetzelfde dus als Prov. Comm. 242: Die peepers goeden tijt heeft, pepert sinen pap, of daert ruym is, neemt ment ruym (Erasmus, no. 250). Vroeger ook (Meyer, Spr. 16; Spieghel, 295) en thans nog in Limburg en in Zuid-Nederland: Die 't lang heeft, laat het lang hangen (Welters, 80; Antw. Idiot. 387; 745; Waasch Idiot. 278 a; Claes, 131; Rutten, 87 a; De Bo, 607; De Cock1, 140); nd. de 't lang heft, laet lang hangen (Eckart, 307). Zie verder Harreb. III, 28 b; Hoeufft, 83; Boekenoogen, 108; Ndl. Wdb. III, 1176 en vgl. nog het Friesch: dy 't breed het, lit it breed hingje; Molema 60 b: dei 't brijd het let 't brijd hangen en dei 't nog brijder het let 't slepen; bij Bergsma, 71: die 't briek (ruim, breed) hef lat briek hangen.

347. Het niet breed hebben,

d.w.z. niet ruimschoots in zijn onderhoud kunnen voorzien, zich moeten bekrimpen; breed heeft hier de beteekenis van weelderig, royaal, ruimVgl. Hor. C. 3. 2. 1: angustam amice pauperiem pati.. Sedert de 17de eeuw in de litteratuur bekend. Zie Van Moerk. 507: Al heeft men 't zoo breed niet, zoo hou ik nog veul van een eerlijk geslagt. Vandaar: Die 't breed heeft, laat het breed hangen dat men spottend zegt van iemand, die goede sier maakt, doch wien het eig. niet past, hetzelfde dus als Prov. Comm. 242: Die peepers goeden tijt heeft, pepert sinen pap, of daert ruym is, neemt ment ruym (Erasmus, no. 250). Vroeger ook (Meyer, Spr. 16; Spieghel, 295) en thans nog in Limburg en in Zuid-Nederland: Die 't lang heeft, laat het lang hangen (Welters, 80; Antw. Idiot. 387; 745; Waasch Idiot. 278 a; Claes, 131; Rutten, 87 a; De Bo, 607; De Cock1, 140); nd. de 't lang heft, laet lang hangen (Eckart, 307). Zie verder Harreb. III, 28 b; Hoeufft, 83; Boekenoogen, 108; Ndl. Wdb. III, 1176 en vgl. nog het Friesch: dy 't breed het, lit it breed hingje; Molema 60 b: dei 't brijd het let 't brijd hangen en dei 't nog brijder het let 't slepen; bij Bergsma, 71: die 't briek (ruim, breed) hef lat briek hangen.

1360. Het moet uit de lengte of uit de breedte,

‘gezegd van reeds gedane of nog te verwachten uitgaven, waarvoor geld op de eene of andere wijze gevonden moet worden, bij vergelijking met een stuk stof, waarvan men iets moet afsnijden’; Ndl. Wdb. III, 1196. In de 17de eeuw komt de uitdr. voor bij V. Moerk. 148: Evenwel vrienden so moet het vande langhte of vande briete komen; Doedyns, Merc. 2, 242: De winst moet'er tog uitgehaald werden, 't zy uit de breette of uit de lengte. Bij den Zuidnederl. schrijver Ogier, 164: 't Moet uyt de lengd' oft uyt de breede comenAangehaald in het Ndl. Wdb. III, 1191.. Zie Harreb. I, 88 b en voor het Nederlandsch Taalgids IV, 284; fri. as 't net ut de lingte ken, dan mat 't war ut de bridte; eng. it must be found in the broad or the long (Prick, 65); syn. 't Moet uit de zak of uit de band komen (op Goeree en OverflakkeeN. Taalgids XIV, 253; Harreb. I, 30.).

1960. Een breeden rug hebben.

Men zegt dit in scherts van iemand, wien men alles ten laste legt, een zondebok; ook van iemand, die de verantwoordelijkheid draagt en zich er weinig van aantrekt; vgl. Ndl. Wdb. III, 1170; Joos, 113; Antw. Idiot. 1048; Waasch Idiot. 563 a en W. Dijkstra II, 386: ik hab in bréde rêch, dêr kin folle op ôfstuitsje. Dat de zegswijze oud is, bewijst het voorkomen bij Campen, 23: ick heb eenen breden rugge, ick cant al wel draeghen; Mergh, 34: hij heeft een breede rugge; zie verder Pamfl. Muller, 3934, 5 r: Ende ghy weet wel als men een schurfde, ende periculeuse saeck kan schryven op een breen rugh van de heele Gemeente, dat men dat liever doen sal als datmen schier of morghen met zijn weynighen daer over in de peeckel soude blijven; Tuinman I, 202: Hij heeft een breeden rug; dit zegt men van ymand, op wien veele beschuldigingen gelegt worden; C. Wildsch. V, 295; Harreb. II, 233 a; Ndl. Wdb. XIII, 1582; Afrik. hy het 'n breë rug. In het hd. einen breiten Rücken (oder Buckel) haben; nd. se hett en brêden Rüggen (Eckart, 437); eng. to have a broad (or strong) back; fr. avoir bon dos; in het Deensch en Zweedsch is, volgens Wander III, 1755, de zegswijze eveneens bekend.

1971. Op groote (breede, ruime) schaal,

d.i. in het groot, uitvoerig en niet kleingeestig; ook: in menigteNdl. Wdb. III, 1174; V, 1068.. Het znw. schaal beteekent in deze uitdr. eig. ladder (lat. scalaIn dezen zin opgeteekend bij Halma i.v. échelle; schaal, meetlijn voor de gebouwen en landkaarten.); vandaar opklimmende of dalende reeks (vgl. toonladder, toonschaal); ‘lijn, die in eenige gelijke deelen verdeeld is, welke strepen, meters, roeden, graden, mijlen enz. voorstellen, en die op een plan of teekening gesteld, dient om de betrekking der afstanden en hoegrootheden op de kaart ons aangewezen, met de wezenlijke afstanden en hoegrootheden aan te duiden’ (Van Dale); vandaar dat op groote schaal de beteekenis aanneemt van in groote verhouding, in groote afmetingen, in 't groot. Ook in het fr. zegt men faire quelque chose sur une grande (large, vaste) échelle; eng. on a large scale.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal