Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

brandaris - (flambouw)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

brandaris [flambouw] {1781} genoemd naar de in 1594 gebouwde Brandaris, de vuurtoren op Terschelling, waarvan de naam mogelijk is afgeleid, via -arius, van branden. In ieder geval niet van een Sint Brandaris, die nooit heeft bestaan.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

brandaris m. (1. brandstichter, ook familienaam,. vuurtoren), van brand met hetz. suff. als secretaris, falsaris, onder invl. van Lat. incendiarius (Fr. incendiaire), van zaken en personen gezeid.

Thematische woordenboeken

E. Sanders (1995), Geoniemenwoordenboek, Amsterdam

Brandaris, waarmee onder meer een grote scheepslantaarn werd aangeduid, is afgeleid van de Brandaris, de bekende vuurtoren op Terschelling. Deze vuurtoren is op zijn beurt genoemd naar Sint Brandaan, de Ierse abt uit de 5de eeuw die een jarenlange zeereis zou hebben gemaakt.

E. Sanders (1993), Eponiemenwoordenboek: Woorden die teruggaan op historische personen, Amsterdam

een brandaris, een grote scheepslantaarn, genoemd naar de ‘Brandaris’, de vuurtoren op Terschelling, die op zijn beurt is vernoemd naar St. Brandaan, een Ierse abt uit de vijfde eeuw;
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal