Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bramzeil - (soort zeil)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

bramzeil zn. ‘soort zeil’
Vnnl. braemseyl [1597; van der Meulen 1954, 126].
Samenstelling met het zn.zeil. Het eerste element is niet duidelijk. Het kan afkomstig zijn van het werkwoord brammen ‘pronken’ [17e eeuw; WNT] en dan zou een bramzeil een ‘pronkzeil’ zijn. Hiertegen pleit dat brammen alleen in de 17e eeuw voorkomt en dat de eerste vindplaats van bramzeil ouder is. Bovendien kan brammen juist uit bram(zeil) zijn ontstaan: bram boven bram voeren “Eigentlijck vier zeilen op een mast boven elkandre voeren. Oneigentlijck gezegt zich groots en trots toonen” [1671; WNT]. De verklaring dat het verwant is met Oudnoords brandr ‘stok, paal’ en dus eigenlijk ‘zeil aan het uiteinde van de mast’ betekent (zoals ook in Fries topseil ‘bramzeil’), is niet wrsch.: de varianten brandseil, brandsegel komen immers maar sporadisch voor (eenmaal in 1625, eenmaal in 1700 (WNT)). Mogelijk zijn die laatste vormen ontstaan door verwarring met brandzeil ‘kleed om door brand bedreigde gebouwen af te dekken’ [1658; WNT].
Fries bramseil, Duits Brandsegel, Deens bramseil en Zweeds bramsegel zijn ontleend aan het Nederlands.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bramzeil* [vierkant zeil boven het marszeil] {braemseyl 1597} van brammen [pronken, pralen]; vgl. het eng. equivalent topgallant [het zeil boven het topsail], van gallant ‘making a galant show in comparison with the lower tops’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bramzeil znw. o. Indien men uitgaat van een oudere bet. ‘pronkzeil’, dan kan men verbinden met een nl. brammen ‘pralen’, maar dan stuit men op het bezwaar, dat dit alleen in de 17de eeuw voorkomt, en bovendien dat een oudere vorm brandseil, nhd. brandsegel is, tenzij men deze weer als latere vervormingen beschouwen wil. Het beste is toch van deze laatste vormen uit te gaan; het woord brand- zou dan ‘verlengstuk van de mast’ betekenen en te vergelijken zijn met on. brandr ‘stok, post’ (Seip bij Falk, ANF 41, 1925, 134). — De woorden de. bramseil, zw. bramsegel stammen uit het nd. of nl.

Voor de verklaring van het woord zijn de oudste vormen van belang. R. v. d. Meulen Ts. 72, 1954, 126 noteert 1597 braemseyl, 1625 brandsegel, 1673 bramsegel naast bramzeil, braamzeil. Omstr. 1700 nog eenmaal brandzeil. Daaruit blijkt, dat de vorm met brand- dus wel zeer sporadisch is.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bram znw., eerst nnl. Vooral in samenstt. Wsch. is bramzeil o. ouder dan bram. Misschien oorspr. = “pronkzeil”; dan wsch. uit de. bramseil, zw. bramsegel, want ozw. bram o. = “pronk, praal” (ndl. brammen “pralen” komt - zelden - slechts in de 17. eeuw voor). Ablautend met brommen. Voor de bet. vgl. eng. top-gallant-sail “bramzeil” (gallant = fr. ndl. galant). - Of = “randzeil” bij braam II? De vorm braam “bram” komt inderdaad voor.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

bramzeil. De oudste du. vorm is brandsegel. Ook oudnnl. komt brandzeil voor. Volgens Seip bij Falk Ark. 41, 134 zou dit ook de oorspr. vorm zijn, terwijl de vorm bram- zou zijn opgekomen in de talrijke samenst., waarin het tweede deel met labiaal begon (bram-bras, -boelijn, -mast, -pol, -want). Het eerste deel brand- ‘verlengstuk van de mast’ zou dan zijn = on. brandr ‘stok, post’ (zie bij brand). Deze etymologie is niet overtuigend, maar verdient in ieder geval vermelding, omdat ook de andere verklaringen niet zonder bezwaren zijn.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bram 1 m. (zeil), wellicht hetz. als Skand. bram (z. bram 2 en vergel. Eng. top-gallant, waar gallant = prachtig).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bramzeil, bram ‘vierkant zeil boven het marszeil’ -> Fries bramseil ‘vierkant zeil boven het marszeil’; Duits Bramsegel, Bram ‘vierkant zeil boven het marszeil’; Deens bram, bramsejl ‘vierkant zeil boven het marszeil, in samenstellingen: alles wat met de takelage van een schip te maken heeft’; Noors bramseil ‘vierkant zeil boven het marszeil’; Zweeds bramsegel ‘razeil dat bij het bovenste deel van een driedelige mast zit’; Fins pramseili ‘razeil dat bij het bovenste deel van een driedelige mast zit’ <via Zweeds>; Frans pavillon en berne; drapeau en berne ‘vlag in sjouw; vlag halfstok’; Pools bramsel ‘vierkant zeil boven het marszeil’ (uit Nederlands of Nederduits); Sloveens bramec ‘bovenste verlenging van de mast’; Russisch brámsel', brámzel' ‘vierkant zeil boven het marszeil’; Bulgaars bramsel ‘vierkant zeil boven het marszeil’ <via Russisch>; Oekraïens brámsel' ‘vierkant zeil boven het marszeil’ <via Russisch>; Lets bramselis ‘vierkant zeil boven het marszeil’; Litouws bramselis ‘vierkant zeil boven het marszeil’; Esperanto bramo ‘alle tuigage boven de mars’ <via Duits>.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bramzeil* vierkant zeil boven het marszeil 1597 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal