Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

braden - (door hitte vlees gaar laten worden)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

braden ww. ‘door hitte vlees gaar laten worden’
Mnl. braden [1240; Bern.].
Os. (gi)brādan (mnd. braden); ohd. brātan (nhd. braten); ofri. brēda (nfri. briede); oe. brǣdan (me. brede); < pgm. *brēdan- ‘branden, verwarmen’. Hiermee is ook on. bræða ‘smelten’ (< *brēdjan-) verwant.
Mogelijk behorend bij de wortel pie. *bhreh1- ‘opborrelen, warmen, branden’ (IEW 133), die misschien te verbinden is met *bhrh1u- in Latijn fervēre ‘gloeien, branden’ en dan ook met → branden. Gezien het betekenisveld en de geografische verbreiding is substraatherkomst echter waarschijnlijker; dan is ook de verwantschap met branden beter te verantwoorden, omdat nasaalinfixen bij substraatwoorden vaak voorkomen.

EWN: braden ww. 'door hitte vlees gaar laten worden' (1240)
Onl. bradan 'braden' in: wart als ein uisg gebraden 'werd als een vis geroosterd' [1151-1200; ONW] (1240)
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

braden* [gaar maken op vuur] {1201-1250} oudsaksisch gibradan, oudhoogduits bratan, oudfries breda, oudengels brædan; buiten het germ. wellicht latijn fretum [branding, stroming], fretale [braadpan], van dezelfde i.-e. stam als branden, broeden, broeien.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

braden ww., mnl. brâden, (verl. t. briet), os. gibrādan, ohd. brātan, ofri. brēda, oe. brædan. Daarnaast staan ohd. brādam ‘damp, adem, hitte’, oe. bræð ‘geur, damp, adem’. — Dentaal-afl. van de idg. wt. *bhrē : bhrō ‘heet maken’ (zie: broeien). — Met dentaal-suffix ook lat. frētum ‘bruisen, koken, hitte’.

Men scheidt hiervan de groep van wildbraad, zoals mnl. brāde ‘kuit, spier, gebraden vlees’, mnd. brāde, ohd. brato, ‘weke delen van het vlees’, oe. bræd ‘rauw vlees’, on. brāð ‘vlees van jachtwild’. In de gevallen, waarin mnl., mnd., mhd. de betekenis ‘gebraden vlees’ is, neemt men dan secundaire invloed van het andere woord aan. Of deze groep met murw te verbinden zou zijn, is mogelijk, maar onzeker.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

braden ww., mnl. brâden (praet. briet). = ohd. brâtan (nhd. braten), os. gi-brâdan, ofri. brêda, ags. bræ̂dan “braden”. Met germ. ð uit idg. dh, of uit t evenals de þ van de verwante woorden ags. bræ̂ð v. “damp, geur, adem” (eng. breath), on. brâð o. “teer”, brâðr “driftig, snel, plotseling”, ohd. brâdam m. “damp, adem, hitte” (nhd. brodem), mnd. brâdem m. “damp”. Van den idg. wortel bhrĕ- “in beweging zijn, bruisen, zieden”, vgl. branden, broeien, broeden, bron. Met t-formans buiten ʼt Germ. lat. fretum “strooming, branding, gebruis, zeeëngte”, fretâle “braadpan”. De afl. van germ. br-, lat. fr- uit idg. mr- en de combinatie met gr. brássō “ik zied, bruis” is ook mogelijk. Mnl. brâde v. m. “kuit, spier, gebraden vleesch”, zuidndl. nog bra, braai(e) “kuit” (nnl. wildbraad o, een reeds mnl. mhd. mnd. voorkomende samenst.), ohd. brâto m. (nhd. braten), brât o., os. brâdo m., mnd. brâde gew. v., ags. bræ̂de v., wgerm. naam voor vleezige deelen van het lichaam (ook in ʼt Rom. overgegaan: mlat. brado enz.) en on. brâð o. “rauw vleesch” zijn van andere afkomst, wellicht met idg. mr- en met murw verwant, maar in ʼt Ohd., Mnd., Mnl. en Ags. komt de bet. “gebraden vleesch” al voor, onder invloed van braden of van een verbaalnomen hierbij.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

braden o.w., Mnl. id., Os. gi-brâdan + Ohd. brâtan (Mhd. en Nhd. braten), Ags. bræ'dan, Ofri. bréda, On. bræ'đa (= smelten): overal sterk, uitgen. in ’t Ags. + Gr. prḗthein = branden: Idg. wrt. bhredh.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

brooje (ww.) braden; Vreugmiddelnederlands braden <1240>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1braai ww.
1. Gaar maak met droë hitte, bv. oor 'n vlam, kole, in 'n pan of in 'n oond, dikw. buite oor die kole vir gesellige verkeer. 2. Baie warm wees of laat kry. 3. Straf, laat swaarkry.
In bet. 1 en 2 uit gewestelike Ndl. en Ndl. spreektaal braaien, met braden (al Mnl. in bet. 1, 1614 in bet. 2) as standaardvorm. Bet. 3 is wsk. 'n leenbetekenis van Eng. grill (1849). Eerste optekeninge in Afr. in bet. 1 by Pannevis (1880) in die samestelling braaibout en in Patriotwoordeboek (1902).
D. braten (9de eeu). Vanuit Afr. in S.A.Eng. (1891 in bet. 1, 1963 in die bet. 'braai vir gesellige verkeer').

2braai s.nw.
Geleentheid of aktiwiteit van te braai (1braai 1) vir gesellige verkeer.
Afleiding van braai.
Vanuit Afr. in S.A.Eng. (1959).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

braai: “gaar maak; warm laat kry; warm kry”; Ndl. braden (Mnl. braden, Holl. en gemeensaam braaien), Hd. braten, verb. m. Ndl. branden en broeien misk. mntl., maar verleidelik en onseker.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

braden ‘gaar maken op vuur’ -> Deens dialect brade ‘gaar maken op vuur’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans brader ‘(verouderd) vlees braden, gebraad vlees verkopen; op een markt of braderie verkopen (tegen een willekeurige prijs); verkwisten’; Zuid-Afrikaans-Engels braai ‘gaar maken op vuur’ <via Afrikaans>; Petjoh brajen ‘gaar maken op vuur, frituren, bakken’; Negerhollands braen ‘gaar maken op vuur; gebraden’; Berbice-Nederlands brai ‘gaar maken op vuur’; Skepi-Nederlands brai ‘gaar maken op vuur’; Sranantongo brai ‘gaar maken op vuur’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

braden* gaar maken op vuur 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

325. Er de boter uitbraden,

ook wel de boter braden, d.w.z. smullen, het er eens van nemen; vetpot hebben. Sedert de 17de eeuw aangetroffen (vgl. Gew. Weuw. III, 48) en thans nog algemeen bekend; ook in het Friesch: nou scille wy de bûter ris útbriede. Vgl. Halma, 716: De boter uitbraaden, niets spaaren om iemand wel te onthaalen; Ndl. Wdb. III, 703; Handelsblad 9 Febr. 1918, p. 5 k. 3 (A): De kermisvierders wilden d'r voor het laatst nog eens de boter uitbrajen.

523. De gebraden duiven zullen u niet in den mond vliegen.

Dit wordt gezegd tot hem, die meent door niets te doen, voordeel te zullen behalen. Vgl. Sartorius I, 6, 80: Dii facientes adjuvant, u sullen geen gebraede Duyven in de mondt vliegen. Ongeveer hetzelfde zegt Campen, 13: Het en sal v van sich selfs inden mont niet vlieghen. In plaats van duiven vindt men ook snippen, leeuweriken, patrijzen, ganzen, vinken, eendvogels of een hoen; zie Harrebomée III, 171 en vgl. fr. attendre les alouettes toutes rôties; les alouettes rôties ne se trouvent pas sur les haies; hd. warten, dasz einem die gebratenen Tauben ins Maul fliegen; es fliegen ihm die gebratenen Tauben nicht ins Maul; eng. plums will not drop into his mouth; the larks fall there ready roasted. De uitdr. is ontleend aan de beschrijving van t' Luyelecker-landt: Desgelijcx soo sietmen daer over alle t' lant in de lucht de Hoenderen, Gansen, Duyven, Snippen, ende ander Ghevoghelte vlieghen, ende zijn al t' samen wel gebraden: ende isser yemant soo luy dat hyse niet vangen en mach, so vlieghen sy dien wel van selfs inde mondt, indien hy zijn mondt open doet, ende daer na gaept.Zie Veelderh. Geneuchl. Dichten, anno 1600 (ed. Letterk. 1899), bl. 144; Tijdschrift XVIII, 205; Erasmus, LXXIII; Volkskunde XXII, 110. De Grieken en Romeinen kenden ook zulke luilekkerlanden, blijkens Athenaeus (ed. Schweighaeuser, 1802), II, p. 531: οπται κιχλαι γαρ αναΒραστοι ηρτυμεναι περι το στομ επετοντ (= nam assi turdi fervidi et laute adparati circa os volitabant); Petronii Cena Trimalchionis (ed. Friedlander, 1906), blz. 122: Si ali ubi fueris, dices hic porcos coctos ambulare.

747. Den gebraden haan uithangen (of - spelen),

d.w.z. grof geld verteren, brassen. In de 17de eeuw leest men bij Winschooten, 180: deese lui speelen lustig den gebraaden haan, d.i. gaan prachtig, overdadig gekleed. Ook in den zin van bluffen, geuren was de zegswijze eertijds bekend; zie Gew. Weuw. II, 7; Spaan 34; Sewel, 307; Van Effen, Spect. VII, 230; Halma, 200: De gebraaden haan speelen in een gezelschap, faire le coq, ou le maître dans une compagnie; V. Janus 22; III, 11. In denzelfden zin gebruikte men vroeger ook den (dubbelen) haan maken, scheren, spelen (fr. faire le coq) en den dubbelen, den breeden haan spelen in dien van royaal leven. Hieruit blijkt, dat het wkw. uithangen moet worden opgevat in den zin van zich aanstellen als en dus niet voor de verklaring aan een uithangbord kan worden gedacht. Wellicht mogen we in deze uitdrukking eene herinnering zien aan een oud sprookje, waarin verteld wordt van een gebraden haan, die zich zeer aanmatigend en overmoedig gedraagt. Zie voor deze gissing Noord en Zuid, XXIII, 273, waar zulk een sprookje is medegedeeld, en verder het Ndl. Wdb. V, 1385; III, 1175.In Driem. Bl. XVII, 101 wordt gedacht aan den haan, dien men na den korenoogst bij het naar huis gaan medevoerde op een hooge met aren en bloemen versierde stang en daarna braadde en opat. In het fri.: de brette hoanne spylje, een hoogen toon aanslaan. Synoniem is het Noord- en Zuidnederlandsche de breeveertien spelen, - uithangen, - laten waaien (zie no. 349); in Zuid-Nederland ook den bonten Pier scheren (Volksk. XIII, 163); pannetje-vet spelen.

840. Zijn haring braadt daar niet,

d.w.z. hij is daar niet welkom, niet gezien; eig.: ‘men braadt daar voor hem geen haring (d.i. panharing)’. Ook zeide men: zijn bokking wil daar niet braden; zie Winschooten, 77: Mijn Haaring en braad daar niet, dat is, oneigendlijk, ik heb daar geen vriendschap te verwagten; Huygens, Cluysw. 63: (Sy) raeckten schier geen' straet, om metter vaert te zijn daer beider haringh braedt, d.i. waar hun potje te vuur stond, waar hunne belangen hen riepenVgl. lat. ferrum tuum in igne est, het geldt uwe belangen (Otto, 135).; Cats I, 987:

De vryer praet van op te staen,
Hy denckt sijn haring braet' er niet
Na hy het daer gebakent siet.

Halma, 206: Zijn haring braad daar niet, hij is daar niet gezien; mijn haring braad daar niet, ik heb van daar geen gunst te wagten; Sewel, 307; Esopet, Leuterbol, 8: Mijn haring braat hier niet wel: het vuur is te heet; Ndl. Wdb. III, 987; V, 2214; Antw. Idiot. 551; Waasch Idiot. 286 a; Teirl. II, 17; Harreb. I, 285; II, XXVII; Boekenoogen, 296: zijn haring braadt hier niet, het bevalt hem hier niet, het gaat hem niet naar zijn zin; in het fri. myn hearring bret hjir net, 't is hier geen koren op mijn molen (Fri. Wdb. I, 233 b); hd. sein Hering wird hier nicht gar braten (Wander II, 532). In Kl. Brab. zegt men hiervoor: ergens niet veel botermelk likken; vgl. ook zijn boontjes weeken daar niet (V. Eijk, III, 40); zijn penning geldt hier niet (zie Ndl. Wdb. XII, 1088); zijn koek is hier op, hij heeft hier de genegenheid verloren (Waasch Idiot. 359); zijn koren groeit hier niet (Harreb. I, 140); in het Antw. zijne winkel draait hier niet, hij heeft hier geen bijval.In Antwerpen bestaat nog een spelletje: Mag ik mijn haringsken eens braden; zie De Cock en Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust, I, 229.) Vgl. in het eng. come uncalled and find no hearing.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

bh(e)reu- : bh(e)rū̆- ‘sich heftig bewegen, wallen, bes. vom Aufbrausen beim Gären, Brauen, Kochen usw.’, Erw. von bher-2.

A. Ablautstufen bheru- (bheru-), bhrū̆-:
Ai. bhurváṇi-ḥ ‘unruhig, wild’, bhurván- ‘unruhige Bewegung des Wassers’.
Arm. bark ‘scharf, sauer, grausam’ (barkanam ‘ich werde zornig’), das sehr vieldeutig ist, wird von Dumézil BSL. 40, 52 als *bhr̥-u̯- hierhergestellt, desgleichen berkrim ‘ich freue mich’ als *bher-u̯-; sehr unsicher!
Gr. φαρυμός· τολμηρός, θρασύς Hes. (*bher-u-) und φορυτός ‘Gemisch, Kehricht, Spreu, Mist’, φορύ̄νω, φορύσσω ‘knete durcheinander, vermische, beflecke, besudle’, wahrscheinlich auch φρυ-άσσομαι ‘gebärde mich ungeduldig (bes. von feurigen Pferden); bin übermütig’.
Thrak. βρῦτος (s. u.).
Alb. brum m., brumë f. ‘Sauerteig’, mbruj, mbrünj ‘knete’.
Lat. ferveō, -ēre, fervō, -ĕre ‘sieden, wallen’ (über fermentum s. bher-2); dēfrū̆tum ‘eingekochter Most, Mostsaft’ (: thrak. βρῦτος, βρῦτον, βροῦτος ‘eine Art Gerstenbier’; aus thrak. *brūti̯ā (gr. βρύτια), stammt illyr. brīsa ‘Weintrester’, urverw. alb. bërsí ds., woraus serb. bersa, bȋrsa, bîrza Schimmel auf dem Wein; lat. brīsa aus dem Venet. oder Messap.).
Mir. berbaim ‘koche, siede’, cymr. berwi, bret. birvi ‘sieden, wallen’, bero, berv ‘gekocht’, gall. GN Borvo (bei Heilquellen), vgl. mit anderem Suffix Bormō oben S. 133; vielleicht auch frz. bourbe ‘Schlamm’ aus gall. *borvā ‘Sprudel’; air. bruth ‘Glut, Wut’, mir. bruith ‘kochen’, enbruithe ‘Fleischbrühe’ (zu en- ‘Wasser’, s. unter pen-2), acymr. brut ‘animus’, ncymr. brwd ‘heiß’ (cymmrwd ‘Mörtel’ aus *kom-bru-to-, vgl. mir. combruith ‘sieden’), brydio ‘fervere’, acorn. bredion ‘coctio’ (Umlaut), abret. brot ‘zelotypiae’, nbret. broud ‘heiß, gärend’.
Über germ. bru-Formen s. unter B.
B. Ablautstufen bhrē̆u- und (teilweise wieder) bhrū̆-:
Zunächst in Worten für ‘Quelle’ = ‘Hervorsprudelndes’ (r/n-St., etwa bhrēu̯r̥, bhrēu̯n-, bhrun-); arm. ałbiur, ałbeur (Gen. ałber) ‘Quelle’ (aus *bhrēw(a)r =) gr. φρέαρ, -ᾱτος ‘Brunnen’ (*φρῆϝαρ-, -ατος, hom. φρήατα, überliefert φρείατα); mir. tipra f. ‘Quelle’ (vielleicht aus air. *tiprar < *to-ek̑s-bhrēu̯r̥), Gen. tiprat (*to-ek̑s-bhrēu̯n̥tos); air. -tiprai ‘strömt gegen...’ (*to-ek̑s-bhrēu̯-īt?); vom St. bhrun- der Kasus obliqui aus als en-St. urgerm.*brunō, *brun(e)n-, got. brunna, ahd. brunno, ags. brunna, burna ‘Вrunnen’ (aisl. brunn), mit Metathese nhd. (ndd.) Born.
Mit ähnlicher Bed. russ. brujá ‘Strömung’, bruítь ‘stark reißend strömen, dahinfließen’, wruss. brújić ‘harnen’ (diese Bed. auch in mhd. brunnen und in nhd. dial. brunzen, bair. brunnlen ‘harnen’ von Brunnen), formal nächstens zu lit. br(i)áujs, br(i)áutis ‘sich mit roher Gewalt vordrängen’ (*bhrēu-), lett. braulîgs ‘geil’; auch apr. brewingi ‘förderlich’?
bhre-n-u- (Präsens mit Nasalinfix, vgl. nhd. brennen) mit Beziehung auf züngelnde Flammen liegt vor in got. ahd. as. brinnan, ais. brinna, ags. beornan, birnan ‘brennen’, Kaus. got. brannjan, aisl. brenna, ahd. brennan, ags. bærnan ‘brennen’, wozu u. a. ahd. brant ‘Brand’, brunst ‘Brennen, Brand’, aisl. bruni, ags. bryne ‘Brand’, ahd. bronado, ags. brunaþa ‘Jucken, Hitze am Körper’, schwed. brånad ‘Brunst’;
bhréu̯- : bhruu̯- in: ahd. briuwan, ags. brēowan ‘brauen’, aschwed. bryggja (aus *bryggwa) ds.; germ. *bruđa- in: aisl. ags. brođ, ahd. prođ ‘Brühe’ (: defrūtum, air. bruth, thrak. βρῦτος; mhd. brodelen, nhd. brodeln); germ. *brauđa- in: aisl. brauđ, ags. brēad, ahd. brōt ‘Brot’ (von dem Gärstoff); über ahd. wintes prūt ‘Windsbraut’ s. Kluge11 692.

WP. II 167 f., WH. I 333 f., 487.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal