Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bottelier - (bediende met toezicht op wijnkelder]

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

bottelen ww. ‘op flessen tappen’
Nnl. bottelen ‘aftappen in flessen’ [1824; Weiland].
Afleiding van het inmiddels verouderde zn. bottel ‘fles’ [1710; WNT] < Engels bottle [14e eeuw] < Oudfrans botele (Nieuwfrans bouteille), dat teruggaat op middeleeuws Latijn but(t)icula, verkleinwoord van Latijn buttis ‘vat’ < Grieks boũtis ‘vat’, dat zelf van niet-Indo-Europese oorsprong is.
bottelier zn. ‘opzichter over de wijnkelder, wijnschenker’. Mnl. (als bijnaam) botelars [1272; CG I, 240], (als beroep) bottelgier ‘opperschenker aan het hof’ [ca. 1340; MNW]. Ontleend aan Oudfrans boutillier ‘flesdrager, opperschenker’, afleiding van bouteille. Herontleend via het Engels als → butler.

EWN: bottelen ww. 'op flessen tappen' (1824)
ANTEDATERING: gebottelde mol 'soort bier in flessen' [1707, Dancourt, 36]
EWN: ♦ bottelier zn. 'opzichter over de wijnkelder, wijnschenker' (1272)
ANTEDATERING: onl. eerst butelir 'opperschenker' als toenaam in Razo Butelir de Gauere 'Razo (de) Bottelier van Gavere' [ca. 1144; ONW]
Later: Reynaer is een ioncker ende een bottelier [1479; MNW-P]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bottelier [bediende met toezicht op wijnkelder] {bottelgier [opperschenker aan het hof] 1401-1425} < middeleeuws latijn but(t)icularius, van buticula (vgl. bottel2) → butler.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bottelier znw., mnl. oudnnl. ook bottelgier. Evenals eng. butler uit ofr. botillier. Du. bottelier m. uit het Ndl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bottelier m., Mnl. bottelgier, uit Ofra. boutillier, afgel. van bouteille (z. bottel).

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

bottelier (Latijn butticularius)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bottelier ‘bediende met toezicht op wijnkelder’ -> Duits Bottelier ‘kantinebeheerder op oorlogsschepen’; Deens butteler ‘proviantopzichter aan boord van een schip’; Russisch † botalér ‘scheepsonderofficier’; Indonesisch botelir ‘scheepssteward’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal