Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

botsen - (met kracht tegen iets aanstoten)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

botsen ww. ‘met kracht tegen iets aanstoten’
Vnnl. botsen [1588; Kil.]. Daarnaast dialectisch butsen [1599; Kil.], boetsen.
Gezien de Nederlandse dialectvormen misschien ontleend aan Duits (dialectisch) butzen, butschen. Het woord kan echter ook klanknabootsend zijn.
Het woord is in de plaats gekomen van een ouder werkwoord botten ‘stoten’ [1544; Paludanus], botten yewers tegen, oft hurten ‘tegen iets botsen’ [1546; Naembouck], met als dialectische varianten butten ‘stoten’, buten ‘castreren’ en boten ‘slaan, kloppen’. Dit komt overeen met Engels butt ‘slaan’ < pgm. *but- ‘stomp (voorwerp)’, ablautend (nultrap) bij pgm. *bautan- ‘slaan, stoten’, zie → beat. Ontleend aan het Frankisch is Oudfrans boter (nfra. bouter ‘verdrijven’).

EWN: botsen ww. 'met kracht tegen iets aanstoten' (1588)
ANTEDATERING: die ... botste int stoue ‘die stommelend het vertrek binnenkwam’ [1528; iWNT trekken]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

botsen* [met een schok tegen iets aankomen] {botten 1546, botsen 1588} dial. ook butsen, boetsen, van bot(te) [slag] {1599}, een klanknabootsend woord (vgl. bot5).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

botsen ww., sedert Kiliaen, dial. ook butsen, boetsen, staat naast mnl. botten ‘botsen’, dat afgeleid is van bot in de betekenis van ‘slag’, vgl. bij Kiliaen bot, botte ‘impulsus, ictus’. Het woord duidt wel een stompe, doffe stoot aan en heeft een klankschilderend karakter. Daarom werd ook een s toegevoegd, waarschijnlijk in een tussenwerpsel bots. Invloed van mnl. bootse, botse, butse ‘bult, buil’ is mogelijk, maar behoeft niet te worden aangenomen.

botsen [Aanvullingen De Tollenaere 1969]: volgens J. L. Pauwels, L. Bijdr. 27, 90 [1935] intensief van mnl. botten.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

botsen ww., waarbij bots znw. “stoot”, beide sedert Kil., dial. ook met u, oe. Behoort bij bot “slag” (zie bot II, III), mnl. oud- en dial. nnl. botten “botsen”. Ook kan mnl. bootse, botse, butse v. “bult, buil” van invloed zijn geweest (zie bij bochel). Fri. bûtsje “beuken, slaan” hoort bij beuken.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

botsen o.w., + Hgd. butzen. Eng. botch: intens. vorming van bot 2; vergel. boksen en beuken.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

botsen ‘met een schok tegen iets aankomen’ -> Fries botse ‘met een schok tegen iets aankomen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

botsen* met een schok tegen iets aankomen 1588 [Claes]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1447. Lukraak,

d.w.z. onzeker, zus of zoo, in het wilde, op goed geluk af; 17de eeuw romp, slomp of romps, slomps (Winschooten, 213); wellicht eig. als het gelukt, dan is het raak; vgl. Sart. I, 10, 9: Wij spelen hier raeck wel heb wel. Vgl. verder Campen, 77: Luckeraeck, boter in dassche, dat ook voorkomt bij Brederoo, St. Ridder, vs. 1950; Spieghel, 296: Avontuur is ront, lok raak. Bij Coster, 521 vs. 798; 39 vs. 876 staat alleen raeck in denzelfden zin; zoo ook bij Kiliaen: Raeck, val, geval, casus, eventus fortuitus; fri. raeck, kans om te raken. Voor de 18de eeuw vergelijke men Van Effen, Spect. III, 36; 52; IV, 46; Halma, 330, die de uitdr. eenigszins anders citeert, nl. luk op raak! mogelijk, misschien; en: dat is luk op raak, dat is heel twijfelagtig of onzeker; Sewel, 466: 't Is luk of raak, t' is hap hazard, hit or miss; luk of raak (onbeziens, onberouwen), at random; W. Leevend II, 63: Het is altoos nog luk raak en met scheuren en breeken, dat wy er (in den hemel) komen; Tuinman I, 267; Nal. 10: Dat is, in 't wilde, luk raak; Harreb. III, 26: het is luk raak (of: luk wel, raak welZie Snorp. 38: Onse Jorde sit nou daer sen leste gelt en waegt, lock wel, raeck wel.); fri. by lokraek, bij geluk; De Bo, 1236: valle wel, hebbe wel; Deensch: paa lykketraef; eng. happy-go-lucky. Zie Mnl. Wdb. IV, 882, waar de uitdr. verklaard wordt als: het zal een geluk zijn als het raak is. Syn. op Goeree en Overfl.: raak et neet dan bots etN. Taalgids, XIV, 198 en vgl. Ndl. Wdb. III, 729: Klinkt het niet zoo botst het (zuidndl.)..(Aanv.) In 't Ndl. Wdb. VIII, 3311 wordt gedacht aan een samenstelling van den stam van lukken + het bijw. raak, of desnoods het znw. mnl. rake; dan is lukraak zooveel als: ‘trefraak, door treffen, toevallig, raak’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal