Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

boterham - ((beboterde) snee brood)

Etymologische (standaard)werken

Diverse auteurs (2011-), Etymologiewiki

De auteur van het lemma boterham in het WNT heeft elders een uitvoeriger verhandeling over het woord geschreven:

Het hieronder door het Etymologisch woordenboek van het Nederlands genoemde artikel kunt u hier vinden:

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

boterham zn. ‘(beboterde) snee brood’
Vnnl. boteram, boterenbroot ‘beboterd brood’ [1567; Nomenclator], boterham naast boter en broot, boterbrugge [1573; Thes.]. Al eerder in een andere betekenis in mnl. boteram van vrouwen cleren, wrsch. ‘slepend kledingstuk’, iets als ‘ellenlange boterham’ [ca. 1485; Neve 1972].
Het eerste deel is identiek met → boter. Voor het tweede deel van de samenstelling is geen bevredigende etymologie te vinden. Er wordt wel gedacht aan een woord ham(me), am(me) dat in Kil. 1599 voorkomt in de betekenis ‘afgesneden stuk eten’. De herkomst daarvan is echter onbekend. De spelling met -h- kan evenwel ook op volksetymologie berusten.
Het woord boterham komt uit de Frankische streken van het Nederlandse taalgebied; in het Fries bestaat uitsluitend het Nederlandse leenwoord boaterhamwoarst ‘boterhamworst’. Voor de rest komt in Friestalig gebied stik, stuk voor (in stikje of stikite bôle ite ‘een boterhammetje eten’); ook het Brabants kent de samenstelling stikke-, stukkezak ‘zak om boterhammen in mee te nemen’. Het Fries kent tot slot nog broekje, brogge, een vorm die ook voorkomt in de Saksische gebieden als brugge, brogge (zie ook Thes.). Ook Westfaals buotram.
Lit.: O. de Neve (1972) ‘Boteram van vrouwen cleren’, in: TNTL 88, 276-280

EWN: boterham zn. '(beboterde) snee brood' (1567)
ANTEDATERING: eenen boteram "ghebotert broot" [1561; Paludanus, 55]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

boterham [snee brood] {1567} van boter + waarschijnlijk ham2 in de betekenis ‘stuk, homp’, vgl. hoogduits Butterschnitte.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

boterham

Wij moeten bij de verklaring van dit doodgewone, maar moeilijke woord de neiging bedwingen te gaan zoeken bij het woord ham: vlees. Daar heeft het niets mee te maken. Er bestond echter vroeger nog een ander woord ham dat ogenschijnlijk met wat wij zoeken evenmin verband houdt. Het betekende: weide, landstreek, landtong, hoek. Van de laatste betekenis moeten wij uitgaan. Die leidt ons gemakkelijk naar woorden als: homp, stuk, brok. Vergelijk bijvoorbeeld het Franse coin de beurre. Men is nu geneigd te vragen: waarom spreken wij dan van boterham en niet, zoals te verwachten was, van broodham? Het antwoord luidt dat in allerlei samenstellingen het woord boter betekent: met boter toebereid, beboterd. Denkt u maar aan boterletter en botersprits. Boterham betekent dus: met boter besmeerd stuk (brood).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

boterham znw. v., sedert de 16de eeuw bekend, later ook verder verspreid > westf. buǝtram, platduits boteram (sedert 1755, vgl. Κ. Scheel, Jahrb. Ver. nd. Sprachf. 1961, 94) en zelfs fra. bouterame ‘botergebakje’ (17de eeuw, Valkhoff 72).

De verklaring van het 2de lid is onzeker. 1. Uitgaande van de vorm -ham verklaart J. W. Muller Ts. 15, 1896, 22-30 het als hetzelfde woord als ham 1 met de bet. ‘homp, stuk, brok’; dan moet de bet. ‘geboterd schijfje brood’ op een latere ontwikkeling berusten. — 2. Jos. Müller, Fschr. Kluge 103 wil uitgaan van een 2de lid -ram, dat hij verbindt met rijnl. remme ‘dikke snee brood’, remmel ‘groot stuk brood’, verder te verbinden met ram 2, vgl. heerlens remmel ‘dikke stok, knuppel’. Onzeker, vgl. van Haeringen Suppl. 24. — 3. Zeer gewaagd is de verbinding met gr. ákmenōs ‘zonder ontbijt, hongerig’, lett. kumuóss ‘hap’ van een idg. wt. *kemǝ-, komǝ-, kmā ‘hap, beet’ (IEW 557-8). — Het woord boterham is uitsluitend frankisch; in het fries zegt men stik, stuk, in het Saksisch brugge, brogge.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

boterham znw., sedert de 16. eeuw. ʼt Eerst komt de vorm boteram voor. Oorspr. een woord van de frank. diall., nu ook verder verbreid, bijv. westf. buətram. ʼt Tweede lid is duister. Zie J. W. Muller, Tijdschrift 15, 1 vv., vooral 22-30.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

boterham. Jos. Müller (bij Panzer Festschr. Kluge 103) wil het tweede lid verbinden met rijnl. remme ‘dikke snee brood’ (Mülheim a. d. Ruhr), remmel ‘groot stuk brood’. Dit remmel hoort wellicht bij ram in de bet. ‘lange paal, stormram’ enz., vgl. heerl. remmel ‘dikke stok, knuppel’. De samenst. zou, indien deze opvatting juist is, oorspr. *boterram (vgl. de oudste vorm boteram) zijn geweest. Er zijn echter geen oude schrijfwijzen, die deze mening bevestigen en de rijnl. benamingen, die blijkbaar ‘dik, groot stuk brood, homp’ en niet bepaald ‘boterham’ betekenen, kunnen jong zijn, zodat de verklaring zeer onzeker blijft.
[Aanvullingen en verbeteringen] Heerls remmel ‘dikke stok, knuppel’ zal wel niet bij ram behoren, maar identisch zijn met het bij rem Suppl. 2e alin. vermelde laat-mnl. remmel ‘halsblok of halsbeugel (van dieren)’, dat wsch. bij remmen behoort. Voor de bet. vgl. de groep van blok, ook sliet Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

boterham v., + Nhd. butterbemme, butterbamme: geen van beide vormen is klaar; z. echter ham 6.

ham 6 m., in boterham, is wel hetz. als ham 5 met de bet. stuk, brok: vergel. de synon. stuk, homp, kant, zijde, Fr. coin, enz. — Voor de bet. beschouw dat butterscheibe, butterstolle in het eene dial. = klomp boter, in ’t ander = boterham.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

boteram (zn.) boterham; Nuinederlands boteram <1567> < Rienlands Botteram.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

boterham. De verwensing ga maar een boterham halen! drukt onverschilligheid en verontwaardiging uit en betekent voorts ‘hoepel op’. Vgl. Van Eijk (1978: 88).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

boterham ‘snee brood’ -> Fries boaterham ‘snee brood’; Duits dialect Botterham, Booteram, Bolterham, Botram, Buotteram, Baottram ‘snee brood’; Frans dialect † bouterame ‘snee brood’; Indonesisch botram ‘lunchbox’; Negerhollands botterham ‘snee brood’; Sranantongo botran ‘snee brood’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

boterham snee brood 1567 [Claes Tw. 11]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

328. Een afgelikte boterham.

Deze zegswijze wordt gebruikt van ‘iets, waarvan een ander het beste voordeel reeds genoten heeft (als een boterham, waarvan een ander de boter heeft afgelikt); in 't bijzonder, in platte scherts, van een meisje gezegd, dat reeds met een ander verkeer heeft gehad, en waarvan dus de eerste frischheid is afgezoend.’ Zie het Ndl. Wdb. I, 1160; III, 715 en Harrebomée I, 85 a, die er ook onder verstaat: eene vrouw, die zich niet eerbaar gedragen heeft. Vgl. Speenhoff VII, 37:

 Ik zag jou van de week wel schuiven
 Toen jij de bioscoop uit kwam.
 Wat liep je an d'r lijf te trekken
 Die afgelikte boterham.

In Zuid-Nederland een ‘jonkman, die een vrouwmensch loopen heeft’ (Rutten, 37 a); volgens De Bo, 30 beteekent staan of zijn gelijk een afgelekte boterham, er neerslachtig uitzien, ontmoedigd zijn; ook in het Waasch Idiot. 138 b, naast zoo bleek als een afgelekt serropenbrood (590 a); vgl. ook Teirl. 201: er uit zien gelijk nen afgelekten boterham, er bleek, ziekelijk uitzien; zoo vet zijn as nen afgelekte boterham, mager zijn; De Cock2, 215: afgelekt broôken, weduwe die hertrouwen wil.

366. Iemand iets op zijn brood (of zijn boterham) geven,

d.w.z. iemand iets verwijten; iemand de schuld geven van iets; eig. hem iets te slikken geven, dat niet lekker is (vgl. een bittere pil). De uitdr. komt in de Middeleeuwen voor in Des Coninx Summe, bl. 159: Ic salt hem noch op sijn broot legghen (betaald zetten); vgl. verder Anna Bijns, Refr. 48: Iets op iemants broot hanghen; in de 17de eeuw: iemand iets op sijn brood leggen (- smijten, - brengen). Zie verder Ndl. Wdb. III, 1542; Tuinman I, 199: Ymand iets op zyn brood schieten, ymand iets schimpswyze verwyten; V. Janus III, 50; Nachtkr. 48; Nest, 54; 100; Lev. B. 95: Anders had ze nog meer op d'r boteram kenne krijge; Bergsma, 73: Ie kriegt 't op oe brootien boas, jij krijgt er de schuld van, mannetje. In Zuid-Nederland kent men naast onze uitdr. ook het iemand op zijn brood smeren (De Bo, 84 b); het iemand in zijn haver mengelen (De Bo, 361); iemands pap boteren (Waasch Idiot. 138 b); iemand iet op zijn brood geven (Waasch Idiot. 147 a; Antw. Idiot 303); iemand zijnen koeke boteren (De Bo, 548 a); iemand iets op zijn brood zetten (Rutten, 41 b); iemand boter op zijn brood geven (Joos, 73); het iemand op zijn brood geven, draaien, lappen, leggen, smeren, iemand ferm berispen, kastijden; iet op zijn brood krijgen, hebben, gekastijd worden, veel verliezen, bedrogen worden, afgeranseld worden (Teirl. 219); iet op zijn brood krijgen (Antw. Idiot. 304)); nd. he givt mi dat up 't Brod to êten; et ênem op 't Botterbrot gêwe (Eckart, 69). In het fri. immen hwet op syn brea lizze; hd. einem etw. in der Suppe zu essen geben; eng. to lay a th. in p's dish. In de 17de eeuw iemand iets in zijn schotel kruimen of leggen (zie Van Vloten, Geschiedz. I, 132; Tuinman I, 105).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal