Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bot - (laars)

Etymologische (standaard)werken

H. Beelen en N. van der Sijs, ‘Woordsprong’, serie in: Onze Taal 2013-2021

Sabotage

Of het nu gaat om olietankers voor de kust van de Verenigde Arabische Emiraten of regeringsvliegtuigen in Duitsland, ook in het recente nieuws is het woord sabotage nooit ver weg. Volgens Van Dale betekent het zoveel als ‘het moedwillig beschadigen van materieel als strijdmiddel; handeling die opzettelijk iets in de war stuurt’. Over de herkomst van het woord zijn schilderachtige verhalen in omloop. Zo zouden tijdens de legendarische eerste algemene staking in België, die in maart 1886 in Luik begon, fabrieksarbeiders het werk hebben stilgelegd door hun klompen (in het Frans: sabots) tussen de tandwielen van de machines te steken. In 1910 zouden Franse arbeiders tijdens spoorwegstakingen het treinverkeer hebben lamgelegd door middel van remschoenen: ijzeren blokken onder de wielen die het doorrijden belemmeren. De Franse namen voor deze obstakels: sabots d’enrayage, kortweg sabots.

Knoeier
Dat het woord sabotage op deze historische gebeurtenissen teruggaat, is echter niet zeker; er zijn geen bewijzen voor gevonden. Duidelijk is wel dat sabotage een afleiding is van het Franse sabot (‘klomp’). Van oudsher kende het Frans sabotage in de betekenis ‘klompen maken’. Klompen werden beschouwd als schoeisel van grof maaksel, en zo betekende saboteur in de negentiende eeuw ‘onhandige werkman, knoeier’. Het werkwoord saboter stond voor ‘lawaai maken met klompen’, maar ook: ‘knoeiwerk leveren’. Rond 1900 wordt daar een betekenis aan toegevoegd. Anarchistisch stakingsleider en revolutionair vakbondsman Émile Pouget (1860-1931) voerde in 1897 sabotage in als officieel actiemiddel en politiek instrument. In 1898 schreef hij een vlammend betoog over ‘sabottage’ dat begint met: “Le sabottage est une riche binaise qui, d’ici peu, fera rire jaune les capitalos.” De zin staat bol van socialistisch jargon en betekent ongeveer: ‘Sabotage is een geweldige machinatie die binnenkort de kapitalisten zal doen grimlachen.’ In het vervolg verhaalt hij dat de sabotage – “het kleine neefje van de boycottage” – tijdens een vakbondsbijeenkomst in Toulouse enorm is toegejuicht.
Pouget was nationaal en internationaal bekend als voorvechter van directe actie, en dankzij hem is het woord sabotage in veel talen bekend geraakt. Zelf beschrijft hij de ontwikkeling in het pamflet Le sabotage (1911) als volgt: “Het woord sabotage was nog geen vijftien jaar geleden een arbeiderswoord, niet in de zin van ‘klompen maken’, maar beeldend en expressief in de betekenis ‘knoeiwerk, a.h.w. uitgevoerd met klompen’. Sindsdien is de betekenis veranderd in een uitdrukking van sociale strijd.”

Klomp
De oudste vindplaats in het Nederlands van de nieuwe activistische betekenis ‘opzettelijk het werk in de war schoppen’ is De socialisten van H.P.G. Quack. In het zesde en laatste deel (1897) geeft Quack een standpunt van de Franse anarchisten weer: “tegen den gemeenschappelijken vijand (het kapitalisme, enz.) is ‘sabotage’ van diens hulpmiddelen geoorloofd.” In het register wordt de betekenis als volgt toegelicht: “vernieling van arbeidswerktuigen door arbeidsstakers”. De plaatsing tussen aanhalingstekens in het citaat en de betekenisomschrijving maken duidelijk dat sabotage anno 1897 in onze taal gloednieuw was. Maar twaalf jaar later, op 19 november 1909, wordt er in de Tweede Kamer gesproken van “afschuwelijke sabotage” zonder dat er toelichting vereist was.
De woorden klomp en sabot hebben dezelfde betekenis, maar een geheel verschillende oorsprong. De oorspronkelijke betekenis van het Nederlandse klomp is ‘vormeloze massa, homp’. Klompen worden uit grote houten blokken vervaardigd; de betekenis verschoof van het materiaal naar de voorwerpen die eruit worden vervaardigd. Het Engelse clog heeft dezelfde betekenisontwikkeling doorgemaakt. Bij sabot ligt het ingewikkelder: omdat er vergelijkbare varianten in de Turkse, Slavische en Arabische talen zijn, lijkt de herkomst oosters. Het verwante Spaanse zapato en het Portugese sapato betekenen beide ‘schoen’, het Italiaanse ciabatta ‘pantoffel’. Het Oudfranse woord, al in gebruik rond 1200, luidde chavate of çavate (‘oude schoen, oude slof’). Dit werd vervormd tot sabot onder invloed van een ander Oudfrans woord: bote (‘laars’).

Boots
In het huidige Frans worden laarzen nog steeds aangeduid als botte, bottine of bottillon. De Vlamingen hebben het Franse woord overgenomen, bijvoorbeeld in de uitdrukkingen zijn botten aan iets vegen (‘zich er niets van aantrekken’) en kus mijn botten (‘loop naar de maan’). Het Engelse boot (‘laars’), ook ontleend aan het Frans, is dus in de verte verwant met de tweede lettergreep van sabot. Voor stevige laarzen wordt in het Nederlands van nu het woord boots gebruikt; biker boots zijn laarzen voor motorrijders, western boots meer voor cowboy-achtige types. Op 21 december 1963 adverteerde schoenenzaak Heijne te Krommenie in De Waarheid voor “Heren Booties, vacht gevoerd, zwart en bruin leder.” De verkleinvorm booties is dus al ruim een halve eeuw in omloop in de betekenis ‘enkellaarsjes’.
In 1982 maakte de Italiaanse bakker en voormalig autocoureur Arnaldo Cavallari zich zorgen over de toenemende populariteit van de Franse stokbroden. Na enig experimenteren bracht hij een luchtig plat brood met een knapperige korst op de markt, ideaal voor het toebereiden van sandwiches. Vorm en grootte deden Cavallari aan een pantoffel denken; daarom gaf hij zijn broodcreatie de naam ciabatta. Als ‘Italiaans stokbrood’ wordt ciabatta vanaf 1993 aangetroffen in de Nederlandse taal en supermarktschappen. Franse klompen, Engelse laarzen en Italiaanse pantoffels hebben in onze taal hun sporen achtergelaten.
[Beelen, Hans en Nicoline van der Sijs (2019), ‘Sabotage’, in: Onze Taal 7-8, 26]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bot4 [laars] {bote [grove schoen] 1201-1250} < frans botte, ouder ook bot [oorspr. een grof soort schoeisel]; etymologie onbekend.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bot 2 m. (stoot, oogenblik), bij Germ. *bautan, waarvan ook Fr. botte nevens bouter (z. aanbeeld). — Een bot vangen is door volksetym. in verband gebracht met bot 4.: vergel. bok 3.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

botten, zn.mv.: schoenen met ronde neuzen. In BN-dialecten ‘laarzen’. Mv. van Fr. botte ‘laars’.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

bot 1, zn.: bundel, bos. Fr. botte ‘bundel’, dat zelf teruggaat op Mnl. bote ‘knot vlas’, dat steunt op Wvl. en Mnl. boten ‘kloppen, slaan’, b.v. vlas boten, vgl. E. to beat. De betekenis ‘bundel’ moet worden begrepen als ‘hoeveelheid die in een keer gedorsen kan worden’.

bot 2, zn.: laars. Fr. botte ‘laars’, afgeleid van bot ‘afgestompt’, in b.v. sabot ‘klomp’, dat teruggaat op Germ. *butta- ‘afgestompt, stomp’, vandaar Mnl. bote ‘grove schoen’.

bot 3, zn.: terugkaatsing, het terugspringen; snauw (Lier). Vnnl. bot, botte ‘stoot, terugstoot’ (Kiliaan). Vgl. Fr. botte ‘degenstoot’, It. botto, botta ‘stoot, houw’, It. bottare, buttare, Fr. bouter ‘stoten’, die teruggaan op Onl. bôtan. Zie boot.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

bot 1, bat zn. m.: stok (van kaartspel), heel kaartspel (W). Wellicht Mnl. botte ‘bos, bundel’.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

bot 1(ZV), bat (H, W), zn. m.: stok (van kaartspel), heel kaartspel (W). Wellicht Mnl. botte 'bos, bundel'.

botte (ZV), zn. v.: vlaag. Vgl. Wvl. botte 'poos, tussenpoos', b.v. een botte schoon weer, een botte wind, tussen bot en vlage. Betekenisverschuiving uit de bet. 'stoot'. Vnnl. botte 'impulsus, ictus' (Kiliaan). Vgl. boten 'slaan'.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

bot. In de verbinding bot hier en daar, die in Vlaanderen voorkomt, is bot een verbastering van God. Die bastaardvloek drukt verontwaardiging, woede e.d. uit. De vloek lik, kus mijn botten! is niet letterlijk te nemen, maar betekent ‘ik ben boos op je, bekijk het verder maar’. Vooral minachting drukt zij uit. Vgl. Van Eijk (1978: 103). De letterlijke betekenis is ‘kus mijn laarzen’, omdat bot volgens de Grote van Dale (1992) gewestelijk ook ‘laars’ betekent. Varianten zijn het elliptische mijn botten! en ge moogt mijn botten kussen! kussen.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bot laars 1240 [Bern.] <Frans

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1312. Iets aan zijn laars (zijn zolen, zijn botten of zijn hielen) lappen (of plakken),

d.i. iets niet tellen, er niets om geven, er geen drukte over maken hetzelfde als iets aan zijn gat vegen (fr. se ficher de quelque chose; 17de eeuw iets aan zijn been binden, knoopen); Tuinman II, 207: hij vaagt daar zyn hielen aan; Harreb. I, 308: iets achter zijne hielen lappen of plakken; II, 253: dat lap ik onder mijn schoenen. Zie Jord. 309: Haar zenuwachtige praatzieke opwinding lapte hij aan zijn laars; Het Volk, 15 Juli 1913, p. 1 k. 4: De S.D.P. heeft toen deze ‘grondwet’ aan haar laars gelapt en blijft tweedracht zaaien waar zij kan; 13 Dec. 1913, p. 1 k. 1.: Als er een regeering was opgetreden, die de uitspraak der kiezers aan haar laars had gelapt; 24 Oct. 1913, p. 1 k. 4: Hij lapte het besluit van de volksvertegenwoordiging aan zijn laars; 20 Nov. 1913, p. 8 k. 2: De soc. dem. fraktie heeft zonder meer de eisch der vakorganisatie aan haar laars gelapt; Nkr. II, 29 Maart p. 2: En ten slotte zei ik toen, dat ik haar opinie aan mijn laars lapte; De Amsterdammer, 24 Mei 1914, p. 7 k. 3; Ppl. 74: Zij lapte alles aan d'r modderlaarzen; bl. 207: Ja of u nou nee zegt, dat lap ik toch amme laars; Nkr. IV, 13 Nov. p. 6; V, 5 Febr. p. 4; vgl. ook Kmz. 303: Trane, die 'k an me kont veeg, komedietrane; Dievenp. 126: Ik heb altijd als 'n brave schooljongen opgelet, maar ik lapte alle theorie aan m'n zool; Nkr. III, 14 Febr. p. 6:

Vraag je dan: Agent ga mee!
Daar wordt ginds gestolen,
Zegt hij daad'lijk: Mij 'n biet,
Dat lap ik aan mijn zolen.

Zevende Gebod, 55: Jouw brave engel lap ik an me zole! Lvl. 171: Ik wil 'r maar mee zeggen, dat 'k het heele leger aan m'n zool lap; Peet, blz. 353; Nkr. III, 5 Sept. p. 6; Schakels, 168: Jouw ondervinding! Die lap 'k an me botten! De Telegraaf, 10 Dec. 1914 (avondbl.) p. 5 k. 1: Mars, de oorlogsgod, is de rechte er naar om alle Kerstengeltjes ter wereld aan zijn schoenzolen te lappen; Groot-Nederland, 1914 (Oct.) bl. 457: Ik ben geen jonkheer! An me zolen 'r mee!; Jord. II, 62: An me sool links!; II, 176: An me linkerzool; II, 335: Maar de jonge meiden lapten alle vermaningen aan hun linkerzool; syn. ergens zijn botten mee of aan vegen, o.a. Handelsbl. (avondbl.) 6 Juni p. 5 k. 4: Literatuur veegt-ie an z'n botten; Sjof. 253: Maar met die praatjes, daar veegden-ie zijn botten mee af; Nkr. II, 15 Maart p. 2: De tyran schijnt er weinig om te malen, hij vaagt er zijn botten an; Het Volk, 14 Maart 1914, p. 5 k. 2: Onvervaard vaagden burgemeester Roëll en diens getrouwen hunne botten aan het advies der Schoonheidscommissie. - Van daar ook an me laars!, maakt dat een ander wijs! of ook: dat kan me niet schelen, o.a. Kmz. 176: Denk je dat 't liefde is? Liefde.... an me laars!; Jong. 145: Wijlui, vrouwe, motte d'r toch 't eerst in (in den schouwburg)! - An me laars! 'k Heb ook me cente betaald. - In denzelfden zin aan mijn kont, o.a. in Kmz. 375. Naast ik lap het aan mijn laars hoort men ook het laarst me nietVgl. Leuv. Bijdr. X, 182..

Voor Zuid-Nederland vgl. De Bo, 304: aan iets zijn ende vagen; 1235: iemand of iets aan de zool van zijn schoe'n vegen, er zich niet over bekreunen, er mede lachen; Schuermans, 497 a en 325 b: iet aan zijn pollevieën, aan zijn achterlappen vegen; Antw. Idiot. 285: aan iet zijn botten vegen; ook zijn gat, zijn klooten aan iets vegen; Schuerm. 80 en Rutten, 41: zijne broek aan iets vagen (in Noord-Nederland: afvegen), zich om iets niet bekreunen, er den bliksem van geven; Teirl. II, 159; 169: an iemand of an iet zijn konte (of kodde) vagen (of wrijven), er zich niet aan gelegen laten; Harreb. I, 183: daar veeg ik mijn elleboog aan. In Twente: 't gat der an ofwisschen; fri. de kont er oan offeije; eng. to set a th. at one's heels. Zie no. 604.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal