Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bot - (been; uiteinde van een touw)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

bot 1 zn. ‘been, knook’
Mnl. but ‘id.’ [1477; Teuth.], bot(te) ‘id.’ [1488; MNW].
Mnd. butte ‘ingewanden; bot, been’; me. butt ‘uiteinde van de romp’ (ne. butt ‘uiteinde; billen’); on. bútr ‘boomstronk’ (nzw. but); pgm. *but- ‘stomp (voorwerp)’, ablautend (nultrap) bij pgm. *bautan-, zie → beat. Daarnaast ook me. buttoke ‘dik uiteinde’ [1470-85] (ne. buttocks (mv.) ‘billen’).
De oorspr. betekenis lijkt ‘stomp, afgeknot ding’ te zijn, en dan met betrekking op botten met gewrichtsknobbels aan het uiteinde.

EWN: bot 1 zn. 'been, knook' (1477)
ANTEDATERING: dat die vulnisse solde gaen in sinen botten 'dat het bederf in zijn beenderen zou komen' [1400-50; MNW-P]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bot3* [been] {but 1477} in wezen identiek met bot5 [stomp], waarbij gewezen moet worden op de vorm van botten met gewrichtsknobbels aan de einden (vgl. boten [stoten, stompen]); de uitdrukking ‘bot vangen’, met de betekenis ‘niet slagen’, is hiervan afgeleid. Vgl. ook botvieren.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bot 2 znw. o. ‘been’, mnl. bot, but o. (zelden), eigenlijk het been van dierenpoten met de stompe gewrichtsknobbels aan de einden; zie het bnw. bot 4. Te vergelijken zijn mnd. butze m. (nhd. butzen) ‘klomp’, on. butr m. ‘boomtronk, stomp’, oe. buttuc ‘eind, klein stuk land’, mnl. botte ‘strobos’ en botje ‘muntstuk’. — mnl. mnd. bōten, ohd. bōʒan, oe. beatan, on. bauta ‘slaan’. — lat. fustis (< *bhūdstis) ‘knuppel’, oiers bibdu (< *bhe-bhud-u̯ōts, vgl. Pokorny KZ 47, 1916, 163) schuldig, vijandig’. — Zie ook boot 4.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bot II (been) o., mnl. (zelden) bot, but o. Sluit zich nauw aan bij bot IV. Voor de bet. vgl. stomp bnw., naast stomp(je) znw. Hiermee stemmen in bet. nog meer overeen mhd. butze m. (zelden) “klomp” (nhd. butzen), eng. butt “dik uiteinde” (wellicht uit fr. bout, en dit uit ʼt Germ.), noorw. dial. butt “blok, stompje van een boom”, zw. but “klomp”, on. butr m. “boomstronk”. Al deze vormen, hoewel onderling niet geheel identisch, hooren bij on. bauta, mnl. nnl. dial. bôten, ohd. bôӡan, ags. bêatan (eng. to beat) “slaan”, waarbij buiten ʼt Germ. misschien lit. baudżù, baũsti “straffen, kastijden”. De vormen met germ. tt gaan, voorzoover ze oud zijn, op *bhud-n- terug. Uit het Germ. komen o.a. fr. bouter “stooten”, bouton (it. bottone, dial. butt) “knoop, knop”; uit deze rom. woordfamilie leidt men weer ndl. bot III (“knop”; gewoner zijn in de algemeene taal de ww. ont-, uitbotten), mnl. botte v. “id.” af. De oorspr. bet. van de germ. basis vertoont nog Kil. bot, botte “impulsus, ictus: et resultus”, dat dial. ndl. en ndd. nog bestaat in verschillende bett., o.a. “oogenblik”. Vgl. nog botvieren.

[Aanvullingen en Verbeteringen] bot II. On. bauta enz. zijn hoogerop met lat. con-fûto “ik sla neer” gecombineerd: onzeker. Ook de directe combinatie hiermee en met slov. bútiti “stooten”, waarbij de oergerm. t aan synonieme ww. met t zooals stoten, mnl. nîten (zie neet II) wordt toegeschreven, is zeer onzeker, hoewel in ’t alg. de etymologen met dgl. vervormingen te weinig rekening houden.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

bot II (been). Ook mnd. butte o. ‘bot, been’.
Over germ. -tt-, uit idg -dn- verklaard, zie bij bakken Suppl. 1e alin.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bot 3 o. (been), , Mnl. botte + Mhd. butze (Nhd. butzen), Zw. en De. but = klomp, gelijk bot 2 bij *bautan.

bot 6 o. (eind van een touw), in bot vieren, uit Fr. bout = einde, eind touw, ook behoorende tot bouter: vergel. bot 5. & z. ook botvieren.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Bot (bot vangen), van ’t Ohd. bozan = slaan, stooten; zie Aanbeeld; het bet.: den stoot van den bal vangen, opvangen; dus iets minder aangenaams, als: slaag krijgen, een blauwtje loopen enz. Verwant is de bot, de knop van een bloem, vgl. uitbotten; de knop immers is hetgeen naar buiten „stoot”, uitslaat, uitschiet (vgl. scheut). Ook bot (been) wil men tot deze familie brengen: het uitstekende, uitknoppende, uitbottende van ons lichaam. In bot vieren bet. bot: einde, n.1. het vooreinde van het ankertouw, dat buiten boord hangt, bijv. „het touw heeft geen bot genoeg”, d.i. is niet ver genoeg buiten boord gestoken; (het) bot vieren is dus: het touw loslaten, evenals men zijn driften loslaat, botviert. Dit bot leidt men van ’t Fr. bout (onder: bot) = einde af, doch waarschijnlijker is het, dat ’t identisch is met bot = knop als uiteinde.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bot* been 1477 [Teuth.]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

bhā̆u-1 : bhū̆- ‘schlagen, stoßen’

a) Mit Präsensbildendem -d-:
Lat. fūstis (*bhūd-sti-s) ‘Stock, Knüttel’ (= gall. būstis in aprov. bust ‘Baumstrunk’ usw.), fūsterna ‘Knorrenstück’;
air. bibdu ‘schuldig, Feind’ (*bhe-bhud-u̯ōts), mir. búalaim ‘schlage’ aus *bhāud-l- ... (oder *boug-l- ... zu nhd. pochen oben S. 98); wohl auch air. bodar ‘taub, betäubt, verwirrt’, cymr. byddar ‘taub’ (*budaro-);
aisl. bauta (-ađa) ‘schlagen, stoßen’, ags. bēatan (bēot), ahd. boz(z)an (biez oder schw. Verb) ds., mhd. boz, bōz, būz m. ‘Schlag’, nhd. Amboß, ags. býtel ‘Hammer’, mnd. botel ds., mhd. bæzel ‘Schlägel’, aisl. bøytill ‘Zeugungsglied des Pferdes’; aisl. butr ‘kurzes Stück eines Baumstamms’; mit expressivem tt: ndd. butt ‘stumpf, plump’ (dazu der Fischname Butte), mhd. butze ‘abgeschnittenes Stück, Klumpen’, ags. buttuc ‘Ende, Stück Land’, norw. dial. butt ‘Stumpf, Klotz’ (auch Holzkufe). Aber ags. bytt ‘Flasche, Tonne’ stammt aus lat. buttis ‘Faß’, ebenso cymr. both ‘Flasche’;
aisl. beysta ‘klopfen, schlagen’ (*bhaud-sti-, vgl. lat. fūstis); mit -sk-Suffix vielleicht mhd. būsch ‘Knüttel, Schlag’ (*bhūd-sko-), vielleicht verschieden von būsch ‘Bausch, Wulst’, s. oben S. 101.
b) mit t-Formans:
Alb. mbüt, mbüs ‘ersticke, ertränke’, skut. müs ‘töte’, vgl. përmismë ‘niedergeschlagen’; lat. confūtō, -āre ‘niederschlagen, dämpfen’, refūtō, -āre ‘zurückdrängen, widerlegen’ (mit ū aus nachtonigem au), wahrscheinlich auch fūtuō, -ere ‘beschlafen’; air. fo-botha (*butāt) bedroht’, Verbaln. fubthad; got. bauþs ‘taub, stumm’.

WP. II 125 ff., WH. 1 259 f., 573 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal