Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bot - (vis)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

bot 2 zn. ‘platvis (Platichthys flesus)’
Mnl. but, bot ‘id.’ [1287; CG II, Nat.Bl.D].
Herkomst onzeker. Mogelijk afgeleid van het bn.bot 1 ‘stomp voorwerp’, vanuit de betekenis ‘vis met stompe kop’.
Mnd. but(te) (nnd. Bütt). Andere Germaanse talen hebben dit woord aan het Nederlands of Nederduits ontleend: nhd. Butt; nzw. butta; nfri. bot; me. butt(e) [ca. 1300] (ne. butt).
Samenstellingen met dit woord zijn o.a.heilbot, → tarbot.

EWN: bot 2 zn. 'platvis (Platichthys flesus)' (1287)
ANTEDATERING: onl. but 'bot' in de Latijnse regel de C buttis semis d. 'van 100 botten een halve penning' [1159-64 (of 1166-68); ONW]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bot1* [vis] {botte, but(te) 1287} hoogduits Butt; zo genoemd vanwege zijn stompe vorm.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bot 1 znw. m. ‘vissoort’, mnl. bot(te), but(te) m. v. o.?, mnd. but o., nnd. butte (> nhd. butte, de. bøtte, nzw. butta); ne. butt (sedert 1300) kan zowel uit het nl. als het nd. zijn overgenomen (Bense 32). — De vis werd zo genoemd wegens zijn vorm: dus een afl. van bot 4.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bot I (visch), mnl. bot(te), but(te) (m. v. o.?). = mnd. but o., nnd. butte v. (> nhd. butte, de. bøtte, zw. butta) “bot”. Wellicht = “stompkop” bij bot IV. De grondvorm *bhudhn(i)o-, -â- ”bij den zeebodem levend” (zie bodem) is mogelijk, maar deze afl. is te fantastisch.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

bot I (vis). Mnd. but(te) m.
Voor het tegenwoordige taalgevoel is bot in bot vangen = bot I. Het kan echter oorspr. ook bot II in de bet. ‘(uiteinde van een) touw’ geweest zijn (vgl. botvieren). De eerste bet. was dan ‘touw (zonder vis) vangen (bij het aasvissen)’. Zie v. Wijk Aanv. onder botvangen, waar een andere, minder waarschijnlijke verklaring vermeld wordt.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bot 4 v. (visch), Mnl. but + Ndd. en Nhd. butte; ook Eng. -but en Fr. -bot in samenst.: oorspr. onbek. wellicht bij bot 1.; z. ook botkruid.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

bot (de, -ten), naam voor een aantal soorten van kleine platvissen behorende tot de familie der tongen (Soleidae). Zie Enc.Sur. 96. - Etym.: Oudste vindpl. Teenstra 1835 II: 446. AN bot = een platvis (Pleuronectus flesus) behorende tot de familie der schollen (Pleuronectidae).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

bot IV: in Afr. hoofs. in ss. (heil- en tarbot) en as ben. v. allerlei stompkopvisse (fam. Bothidae en Pleuronectidae) en in ss. (lewerbot) v. ingewandswurm (fam. Fasciolidae); Ndl. bot (Mnl. bot(te)(but(te) en dial.), Hd. butte, Eng. butt (vgl. halibut maar turbot), hou verb. m. bot III in bet. “stomp; plat”.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bot ‘beenvis’ -> Engels butt ‘platvis’; Duits Butt ‘beenvis’; Deens bot ‘beenvis, schar’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds butta ‘tarbot’.

bot ‘ingewandsworm’ -> Engels bot(t) ‘larve van paardenvlieg’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bot* beenvis 1287 [CG NatBl]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal