Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bosappel - (boom met eetbare vruchten (Chrysophyllum argenteum))

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

bos’appel (de, -s), 1. boom met geelwitte bloempjes in bladoksels en eetbare vruchten (Chrysophyllum argenteum ssp. auratum, Sapotillefamilie*); bij uitbr. enige andere wilde Chrysophyllum-soorten. In het wild komen enige nauw verwante soorten [van de sterappel*] voor met eetbare vruchten (pinto-boletri, bosappel en kwata-bobi) (Enc.Sur. 576). - 2. vrucht van deze bomen. - Etym.: Alle bedoelde soorten groeien in bos. Zie ook bos-* (3). Er is overeenkomst, ook in de vrucht, met de verwante sterappel*, niet met de appel*. S boes’apra (boesi = o.m. bos; apra = o.m. appel*). - Opm.: De grote en de kleine b. bij Teenstra (1835 II: 247) kunnen hier niet nader gedefinieerd worden.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal