Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

boos - (toornig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

boos bn. ‘toornig’
Mnl. bose ‘slecht’ [1240; Bern.], boes ‘slecht, zondig, verdorven’ [1265-70; CG II, Lut.K], ‘heidens, duivels’ [1285; CG II, Rijmb.], ‘gering, min’ [1340-50; MNW], ‘dom, onnozel’ [ca. 1410; MNW]; vnnl. boos ‘toornig, verstoord’ [1688; WNT]; nnl. iemand boos maken [1704; HvH].
Het woord komt alleen voor in het continentaal West-Germaans: os. bōsi, ohd. bōsi ‘slecht, onbeduidend’ (nhd. böse ‘boosaardig, toornig’); ofri. bās- (in samenstellingen) ‘onzedelijk’ (nfri. boas ‘slecht, toornig; veel; schrander’). Daarnaast ook mnl. gheboes [1285; CG II, Rijmb.], gheboese [1290; CG II, En.Cod.] en ohd. gibōsi in een soortgelijke betekenis. De bijbehorende stam pgm. *bausu-, *bausia- moet een grondbetekenis ‘zwellen’ hebben gehad, zie ook → buizen 1 ‘zuipen’. Hieruit ontstonden ook de vormen mnl. buusccen ‘slaan, bonzen’; mhd. buschen, biuschen ‘slaan, doen zwellen’ (nhd. bauschen ‘doen zwellen’); me. bosten ‘pochen’ (ne. boast); nno. baus ‘heftig, trots’, bauska ‘pochen’. Mogelijk bestaat ook verband met → beuzelen; daarop zouden de vormen ohd. bōsa ‘beuzelingen, potsen’ en bōsōn ‘lasteren’ wijzen.
Oudfrans boise, boisie, Provençaals bauze ‘bedrog’ en Italiaans bugia ‘leugen’ zijn wrsch. van Germaanse oorsprong.
Die bose is een Middelnederlandse aanduiding voor ‘de duivel’ [ca. 1480; MNW] (nog Fries de boaze). Gewoonlijk heet de duivel in het Middelnederlands viant (zie → vijand), maar die boese mensche, die uiant, die tiran dateert reeds van 1265-70 (CG II, Lut.K).

EWN: boos bn. 'toornig' (1240)
ANTEDATERING: onl. bδsi 'kwaadaardig' in: Thure sinen bosen níth 'door zijn kwaadaardige haat' [1151-1200; ONW]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

boos* [toornig] {1201-1250 in de betekenis ‘slecht, gering, dom, verdorven’} oudsaksisch, oudhoogduits bosi, oudfries bōs [onzedelijk], middelengels bosten (engels to boast), stammend van een stam met de betekenis ‘opblazen, zwellen’, waarvan bv. ook buidel.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

boos bnw., mnl. boos ‘boos, slecht, dom’, os. bōsi, ohd. bōsi ‘slecht, gering, onbeduidend’, ofri. bās ‘onzedelijk’. — Germ. grondvorm *bausu, *bausia. vgl. me. bosten, ne. boast ‘pralen’; noorw. baus ‘heftig, trots’, bauska ‘pochen’ en verder: mnl. buusscen, nnl. buisen ‘slaan, bonzen’, mhd. buschen, biuschen ‘slaan, doen zwellen’ (nhd. bauschen). Gaan wij uit van de betekenis ‘zwellen’, dan zijn nog te vergelijken buis 4. Behoort dus tot de idg. wt. *bheus, s-formatie van *bheu ‘zwellen’, maar ook ‘groeien’ (zie: buidel).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

boos bnw., mnl. boos (bôse) “boos, slecht, gering, dom”. = ohd. bôsi “slecht, gering, onbeduidend” (nhd. böse), os bôsi “id.”, ofri. bâs “onzedelijk”, wgerm. *bausu-, *bausia-. Hierbij ʼt znw. mnl. bôse v. “boosheid”, ohd. os. bôsa v., gibôsi o. “nugae”. Verwant met beuzelen. Naast den idg. wortel bhū̆s-, “(snel) bewegen”, waarbij ook slav. buch- “slaan, snel te voorschijn komen enz.” (bijv. serv. búhnuti “losbreken”, bȕšiti “slaan, gooien, met geraas vallen”) behoort, stond bhū̆s- “zwellen”. Veel woorden hebben hun bet. gekregen door ʼt dooreenloopen van die beide bases. Vgl. behalve de bij beuzelen geciteerde woorden en boos nog noorw. baus “heftig, trotsch”, bausa “druk er op los praten”, bauska “opsnijden”, mnl. buusscen, nnl (in de alg. taal verouderd) buischen “slaan, bonzen”, mhd. bûschen, biuschen “slaan, doen zwellen” (nhd. bauschen), bûsch m. “slag, buil” (nhd. bausch); hierbij ook eng. to boast “pochen”? Zeker moeten wij van de bet. “zwellen” uitgaan bij mnl. bûsen, nndl. buizen “onmatig drinken” (waarbij buis “beschonken”), laatmhd. bûsen, oudnhd. bausen “zwellen, zwelgen”, mnd. bûsen, eng. to bouse “fuiven”, noorw. bause “weldoorvoede persoon”, busa iseg “gulzig eten”. Buiten ʼt Germ. vgl. gr. phúskē “maag en dikke darm, worst”, slav. buch- “zwellen” (bijv. russ. búchnut’) Zie verder buidel. Natuurlijk zijn niet alle germ. en slav. vormen, waarvoor wij van bhū̆s- “zwellen” kunnen uitgaan, oud. ʼt Zelfde geldt van slav.-germ. bhū̆s- “(snel) bewegen”. Bij beide hebben zich ook nog onomatop. woorden gevoegd.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

boos. Voorzover wij kunnen nagaan is de oudste bet. van het germ. woord ‘gering, slecht, onbeduidend’. Deze bet. nu laat zich niet zo gemakkelijk met die van de overige in het art. genoemde germ. woorden verenigen. De verwantschap van boos en beuzelen met de andere germ. woorden (die zich alle behoorlijk op een vanouds onomatop. wortel *bhū̌s- ‘opblazen, (doen) zwellen’ laten herleiden) blijft daarom twijfelachtig. Zie nog beuzelen Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

boos bijv., Mnl. boos, Os. bôsi + Ohd. bôsi (Mhd. bœ̅se, Nhd. böse), Ofri. báse + misschien Osl. běsŭ = duivel, Lit. baisus = vreeselijk.

Thematische woordenboeken

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Uit den boze, verkeerd, slecht.

In het Nieuwe Testament van de Statenvertaling komt een enkele maal de kwalificatie uit den boze voor. De NBG-vertaling geeft in 1 Johannes 3:12 eveneens deze uitdrukking: 'Niet gelijk Kaïn: hij was uit de boze en vermoordde zijn broeder.' Het is echter de verbogen vorm van de Statenvertaling die in het Nederlands vaste voet aan de grond heeft gekregen, waarbij de letterlijke betekenis 'uit de duivel (geboren)' geheel verbleekt is. De NBV heeft boze niet meer als zelfstandig naamwoord.

Statenvertaling (1637), Matteus 5:37. Maer laet zijn uw' woort ja, ja: neen, neen: wat boven desen is, dat is uyt den boosen.
De gezamenlijke bankiers blijven op het standpunt dat loterijen uit den boze zijn. (NRC, nov. 1994)
In orthodox-calvinistische kringen is zo'n wereldse voordracht uit den boze. (J. Goedegebuure, De Schrift herschreven. De bijbel in de moderne literatuur, (1993), p. 7)

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

boos ‘kwaad’ (Duits böse)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

boos ‘toornig’ -> Negerhollands boos ‘toornig’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

boos* slecht 1240 [Bern.]

boos* toornig 1740 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1693. Het booze oog.

Deze benaming berust op het bij verschillende volken van den ouden en nieuweren tijd bestaand bijgeloof, dat nijd en wangunst aan sommige menschen het vermogen verleenden om door hun blik aan anderen nadeel te berokkenen. Die macht van het booze oog, waaraan vooral bij de zuidelijke volken, Grieken, Romeinen, Italianen werd en wordt geloofd, is bekend o.a. uit het Grieksche οφθαλμος πονηρος of φθονερος; ngri. κακο ματι; lat. oculi invidi; it. mal' occhio of jettatura (vgl. lat. jactare oculos); eng. an evil eye; fr. le mauvais oeil; mhd. twerhe ougen; hd. ein böses Auge habenOp een dergelijk geloof berust de dial. uitdr. ‘de kwade hand leggen op iemand, door een bovennatuurlijk (duivelsch) vermogen, ziekte of ongemak aan iemand berokkenen; lat. manus malefica’; zie Ndl. Wdb. V. 1796; Rutten, 183 b; Antw. Idiot. 1013 en vgl. het fri. de kweade hân, de booze hand, betoovering; Volkskunde XXIV, 47-49.. Vgl. Ndl. Wdb. III, 484; Borchardt, no. 80; O. Jahn, Ueber den Aberglauben des bösen Blickes bei den Alten; Zeitschrift des Vereins für Volkskunde XI, 304 vlgg.; V.d. Vet, Biënboec, 167; Volkskunde XIX, 137; XXIV, 30-35; Hoops, Reallexikon, 304. Ook in het Friesch: oer dat bern binne in pear kweade eagen gien, dat kind is betooverd.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal