Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bonket - (grote knikker)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bonket* [grote knikker] {boncket 1599} van bonk [bot] + de uitgang van bv. klinket, banket, waarbij aan te nemen valt, dat knikkers evenals bikkels aanvankelijk van botten werden gemaakt; ook bonk voor grote knikker komt voor.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bonket v. (stuiter), assim. van bolket, bollekate; 2e lid dial. bijvorm van koot.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

bol(le)ket, bonket, bom(me)ket, boket, zn.: grote knikker, stuiter. Ook Vlaams. Dat zou Fr. *boulequet(te) kunnen zijn, dim. van boule ‘bal’. Vgl. in Komen (Henegouwen) boulikète ‘grote stenen knikker’. Vermoedelijk is het woord door volksetymologische associatie met boule/bol ontstaan uit bonket. Vondel gebruikte dat woord in ‘Uitvaart van mijn dochterken’ (1633). Hij roept er het kinderspel van Saartje op ‘met bikkel en bonket’. Kiliaan vermeldt al in 1599 boncket ‘benen balletje’. Daarop steunt de etymologie van Van Dale, nl. dim. op ­-et van bonk ‘bot, been’, omdat de vroegste knikkers van been waren. Maar een Frans suffix bij een Nederlands woord is vrij ongewoon. Van Dale vergelijkt met banket, klinket, maar deze vergelijking gaat niet aan, want dat zijn helemaal Franse woorden. Nu vermeldt Gezelle in Loquela ook bonke met bet.‘bonket, knikker’ en hij noteerde in Rijsel bonque. En in het Wvl. (De Bo) betekent bonke niet alleen ‘tros’, zoals Fr. bouquet, E. bunch. Denk aan Gezelles ‘Een bonke keerzen kind’. Het werd ook gezegd van een grote vrucht ‘kers, perzik, aardappel’. De Bo geeft het voorbeeld ‘Eene bonke van eenen pompoen’. E. bunch betekent ook ‘trosje, bosje’, naast ‘klomp’. De Bo vermeldt als var. ook bok. Daarom m.i. bonke < Ofr. bosche, Opic. bo(s)que ‘bosje’, bonket < Fr. bosquet, Pic. bocquet ‘bosje’ > ‘klomp’ (zie De Bo). De n is epenthetisch, zoals in de familienaam Boncquet < Bocquet < Bosquet (vgl. in Henegouwen choncolat). Zie ook bok.

ket 1, zn.: grote knikker, bonket, stuiter. Door aferesis van bol(le)ket. Afl. ketten ‘knikkeren’.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

ket 1 zn. m.: grote knikker, bonket. Verkorte vorm van bolleket.

bolleket, boeleket, bolbeket, bonket, bommeket zn. m.: grote stenen knikker, bonket, stuiter; (vanwege de bolle vorm ook) hoofd. Ook Ovl. en Wvl. bolleket(te). Dat zou Fr. *boulequet(te) kunnen zijn, dim. van boule ‘bal’. Vgl. in Komen boulikète ‘grote stenen knikker’. Vermoedelijk is het woord door volksetymologische associatie met boule/bol ontstaan uit bonket. Vondel gebruikte dat woord in ‘Uitvaart van mijn dochterken’ (1633). Hij roept er het kinderspel van Saartje op ‘met bikkel en bonket’. Kiliaan vermeldt al in 1599 boncket ‘benen balletje’. Daarop steunt de etymologie van Van Dale, nl. dim. op ­-et van bonk ‘bot, been’, omdat de vroegste knikkers van been waren. Maar een Frans suffix bij een Nederlands woord is vrij ongewoon. Van Dale vergelijkt met banket, klinket, maar deze vergelijking gaat niet aan, want dat zijn helemaal Franse woorden. Nu vermeldt Gezelle in Loquela ook bonke met bet. ‘bonket, knikker’ en hij noteerde in Rijsel bonque. En in het Wvl. (De Bo) betekent bonke niet alleen ‘tros’, zoals Fr. bouquet, E. bunch. Denk aan Gezelles ‘Een bonke keerzen kind’. Het werd ook gezegd van een grote vrucht ‘kers, perzik, aardappel’. De Bo geeft het voorbeeld ‘Eene bonke van eenen pompoen’. E. bunch betekent ook ‘trosje, bosje’, naast ‘klomp’. De Bo vermeldt als var. ook bok. Daarom m.i. bonke < Ofr. bosche, Opic. bo(s)que ‘bosje’, bonket < Fr. bosquet, Pic. bocquet ‘bosje’ > ‘klomp’ (zie De Bo). De n is epenthetisch, zoals in de familienaam Boncquet < Bocquet < Bosquet (vgl. in Henegouwen choncolat). Dim. bolleketje ‘kogelgewricht van het dijbeen’. Afl. bolleketten ‘knikkeren met stuiters’. Samenst. bolleketogen ‘uitpuilende ogen’.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

bolket (G), bolleket (E, G, W, L, R, ZO, ZV), bommeket (H), zn. m.: marmeren, benen of glazen knikker, bonket, stuiter. Ook Wvl. bolleket(te). Dat zou Fr. *boulequet(te) kunnen zijn, dim. van boule 'bal'. Vgl. in Komen boulikète 'grote stenen knikker'. Vermoedelijk is het woord door volksetymologische associatie met boule/bol ontstaan uit bonket. Vondel gebruikte dat woord in 'Uitvaart van mijn dochterken' (1633). Hij roept er het kinderspel van Saartje op 'met bikkel en bonket'. Kiliaan vermeldt al in 1599 boncket 'benen balletje'. Daarop steunt de etymologie van Van Dale, nl. dim. op ­-et van bonk 'bot, been', omdat de vroegste knikkers van been waren. Maar een Frans suffix bij een Nederlands woord is vrij ongewoon. Van Dale vergelijkt met banket, klinket, maar deze vergelijking gaat niet aan, want dat zijn helemaal Franse woorden. Nu vermeldt Gezelle in Loquela ook bonke met bet. 'bonket, knikker' en hij noteerde in Rijsel bonque. En in het Wvl. (De Bo) betekent bonke niet alleen 'tros', zoals Fr. bouquet, E. bunch. Denk aan Gezelles 'Een bonke keerzen kind'. Het werd ook gezegd van een grote vrucht 'kers, perzik, aardappel'. De Bo geeft het voorbeeld 'Eene bonke van eenen pompoen'. E. bunch betekent ook 'trosje, bosje', naast 'klomp'. De Bo vermeldt als var. ook bok. Daarom m.i. bonke < Ofr. bosche, Opic. bo(s)que 'bosje', bonket < Fr. bosquet, Pic. bocquet 'bosje' > 'klomp' (zie De Bo). De n is epenthetisch, zoals in de familienaam Boncquet < Bocquet < Bosquet (vgl. in Henegouwen choncolat). Zie ook bok.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

kette (B, O), zn. v.: (stenen, aarden) knikker. Verkorting van bollekette (O). Zie bolleket. Ww. ketten ‘knikkeren’.

bolleket (K), zn. m.; bollekette (B, D, M, O, R), zn. v.: stuiter, grote knikker, bonket. Zou Fr. *boulequet(te) kunnen zijn, dim. van boule ‘bal’. Vgl. in Komen boulikète ‘grote stenen knikker’.Vermoedelijk is het woord door volksetymologische associatie met boule/bol ontstaan uit bonket. Vondel gebruikte dat woord in ‘Uitvaart van mijn dochterken’ (1633). Hij roept er het kinderspel van Saartje op ‘met bikkel en bonket’. Kiliaan vermeldt al in 1599 boncket ‘globulus osseus’, dus ‘benen balletje’. Daarop steunt de etymologie van Van Dale, nl. dim. op -et van bonk ‘bot, been’, omdat de vroegste knikkers van been waren. Maar een Frans suffix bij een Nederlands woord is vrij ongewoon. Van Dale vergelijkt met banket, klinket, maar deze vergelijking gaat niet aan, want dat zijn helemaal Franse woorden. Nu vermeldt Gezelle in Loquela ook bonke met bet. ‘bonket, knikker’ en hij noteerde in Rijsel bonque. En in het Wvl. (DB) betekent bonke niet alleen ‘tros’, zoals Fr. bouquet, E. bunch. Denk hierbij aan Gezelles ‘Een bonke keerzen kind’. Het werd ook gezegd van een grote vrucht ‘kers, perzik, aardappel’. De Bo geeft het voorbeeld ‘Eene bonke van eenen pompoen’. E. bunch betekent ook ‘tros, bosje’ naast ‘klomp’. De Bo vermeldt als variant ook bok. Daarom m.i. bonke < Ofr. bosche, Opic. bo(s)que ‘bosje’, bonket > Fr. bosquet, Pic. bocquet ‘bosje’ > ‘klomp’ (zie De Bo). De n is epenthetisch, zoals in de familienaam Boncquet< Bocquet < Bosquet (vgl. in Henegouwen choncolat).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bonker, bonket ‘grote knikker’ -> Frans dialect bonque ‘knikker waarmee kinderen spelen’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal