Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bond - (verbond, verdrag, vereniging)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

bond zn. ‘verbond, verdrag, vereniging’
Mnl. bont ‘bundel’ [1469; MNW]; vnnl. des bonts tecken ‘het teken van het verbond’ [1552; WNT], bond ‘bundel; verbond’ [1599; Kil.]; nnl. bond ‘verbond’ [1704; HvH].
Met ablaut gevormd bij dezelfde wortel als → binden, → band 1, → bundel.
Os. gi-bund ‘bond, bundel’ (mnd. bunt ‘bundel, verbond’); mhd. bunt ‘bundel, bond’ (nhd. Bund ‘bond, verbond’); nfri. bûn; oe. bund ‘bundel’ (ne. bond ‘band, verbintenis’); on. (hand)byndi ‘boei’; got. ga-bundi ‘band’.
Onder invloed van Duits Bund had het in de 18e, begin 19e eeuw vooral de betekenis ‘verdrag tussen staten’, midden 19e eeuw werd daarvoor vaker verbond gebruikt. Eind 19e eeuw werd, weer onder invloed van het Duits, de betekenis ‘vereniging’ algemeen.
Lit.: C. de Vooys ‘Nedersaksische en Hoogduitse invloeden op de Nederlandse woordvoorraad’ in: Vooys 1947, 153; Sijs 1996

EWN: bond zn. 'verbond, verdrag, vereniging' (1469)
ANTEDATERING: bond 'bundel' [1343-44; iMNW]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bond* [verbond, vereniging] {1552} afgeleid van binden.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bond znw. m., mnl. bont m. o. ‘bundel’, os. gibund ‘bundel’, mnd. bunt m. o. ‘bundel, verbond, overeenkomst’, mhd. bunt ‘bundel, boei, bond’ is afgeleid van binden, zie ook: band en bundel.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bond znw., mnl. bont(d) m. o. “bundel”. = mhd. bunt m. “boei, bundel, bond” (nhd. bund), mnd. bunt(d) o. “bundel” (os. gibund “bundel”). Ablautend met binden. Vgl. bundel.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

bond. Mnd. bunt (d) m. en o. betekent ook: ‘(ver)bond, overeenkomst, geldigheid’. Bij bondig adde: mnd. bündich ‘bindend, geldig’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bond m., Mnl. bont + Mhd. bunt (Nhd. bund), Eng. bound, van denz. stam als 't meerv. imp. van binden.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

bond (B, Blankenberge, Heist, Torhout), zn. m.: bundel, bos (hout, twijgen, stro, wortelen). Mnl. bont ‘bundel’. Mnd., Mhd. bunt ‘bundel’. Van het ww. binden.

Thematische woordenboeken

J. van de Kamp en J. van der Wijk (2006), Koosjer Nederlands: Joodse woorden in de Nederlandse taal, Amsterdam; inclusief ongepubliceerde aanvullingen door de auteurs

Bond: De Bond: de in 1894 opgerichte Algemeene Nederlandsche Diamantbewerkersbond (zie ANDB)

— Bij ons thuis begon de vaderlandse geschiedenis in 1894: staking van de slijpers en stichting van de Bond. Steeds hield vader ons voor: “vergeet ’t nooit, het enige wat we bezitten is de Bond. Verliezen we die, dan zijn we alles kwijt.” Voegde hij er aan toe: “Vroeger jaren... toen kon je nog ’s wat beleven.” Uit zijn verhalen weet ik, dat voor het begin van de twintigste eeuw de Christenslijpers hun Joodse vakgenoten voor ‘rotjoden’ scholden. Ome Jan van Zutphen, de reus van Kattenburg, had de Jodenhaat eruit gepraat, en als zijn welsprekendheid tekort schoot, het antisemitisme eruit geknokt. (MEYER SLUYSER, 1962)

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

bond ‘vereniging’ (Duits Bund)

L. Koenen, R. Smits (1992), Peptalk, De Engelse woordenschat van het Nederlands

bond [bond] rentedragende, aflosbare obligatie.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bond ‘verbond, vereniging’ -> Zuid-Afrikaans-Engels bond ‘verbond’ <via Afrikaans>; Indonesisch bon ‘verbond’; Javaans bon ‘vereniging, club’; Papiaments bònt ‘verbond, vereniging’; Sranantongo bontu ‘verbond, vereniging’; Surinaams-Javaans bon ‘verbond, vereniging’.

bond ‘bundel, band’ -> Schots † bound ‘bundel (vooral van vlas)’; Deens bundt ‘groep mensen of dingen; bos (bijv. sleutels), bundel, boeket’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds bunt ‘stapel, bos, pak’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans dialect bondi ‘vouw in een jurk om hem in te korten’; Frans bonjeau, bongeau, bonjot ‘bundel, rolletje touw’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bond verbond, vereniging 1552 [WNT] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal