Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bon - (wijk)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bon2* [wijk] {1343-1346 in de betekenis ‘dijkvak, stadswijk’} naast middelnederlands boene, boen [zoldering, verhoogde vloer, kastje, bun] en bonne, bunne [opgeslagen kraam], waarin het gemeenschappelijke element dat van een afgeschoten ruimte is; verwant met beun2.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bon 2 znw. o. ‘vak van een dijk, dat de dijkplichtige te onderhouden heeft; (Noord-Holland); een wijk in een stad, die voor openbare belangen moet opkomen (Hollandse steden, bijzonder Leiden)’. Zal wel oorspronkelijk het woord bon, bonne, bunne ‘afgesloten ruimte’ zijn, waarvoor zie: beun.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bon 1 o. (wijk), Mnl. bon, bonne, boen: Fri. vorm van ban in de bet. rechtsgebied.

bon 2 o. (afsluiting), misschien bijvorm van beun 1 en bun.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal