Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bomijs - (ijs dat niet op water rust)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

bomijs zn. ‘ijs dat niet op water rust’
Nnl. bomijs ‘zwak ijs’ [1809-11; WNT].
Het eerste lid is → bom 1 in de betekenis ‘hol klinkend voorwerp, trommel’ (of anders bom als samentrekking na uitval van intervocalische d uit → bodem); het tweede lid is → ijs.
Nnd. bum-is; nfri. bomiis, boomiis.
Dialectisch zijn Gronings bonkijs; Drents dobijs; Vlaams kuipijs.
Lit.: J. van Bakel (1961) ‘Bomijs’, in: Mededelingen van de Nijmeegse centrale voor dialect- en naamkunde 1 Assen, 8-10

EWN: bomijs zn. 'ijs dat niet op water rust' (1809-11)
ANTEDATERING: vnnl. bomys 'niet door water gedragen ijs' [1657; iWNT]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bomijs* [ijs dat hol ligt, niet op het water rust] {1657} van bommen [een hol geluid maken] + ijs.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal