Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bomba - (negeropzichter over mede-slaven)

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S. Joubert en N. van der Sijs (2020), ‘Antilliaans-Nederlandse woorden en hun herkomst’, in: Trefwoord, november 2020

bomba (Dikke Van Dale; GB) (vrije) zwarte opzichter over andere tot slaaf gemaakten; ontleend aan Papiaments bomba, teruggaand op Spaans en Portugees bomba ‘bom, bel, pomp’; de betekenis ‘slavenopzichter’ is een eigen ontwikkeling van het Papiaments, die uitgaat van Portugees bomba ‘onaangenaam persoon’, Amerikaans-Spaans (Cuba) bomba ‘onsympathiek iemand’ (Kramer 2015).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

bomba (de, -’s), (hist.) negeropzichter over mede-slaven op een plantage* (A.1). Des nachts worden op de meeste Plantagiën*, door de Bomba of Meesterknegt, de Deuren der Negerhutten geslooten, op dat zy niet zouden gaan zwerven (Hartsinck 1770: 916; enige vindpl.). - Syn.: basja* (1), bastiaan* (1), negerofficier*. Zie ook: officier*, blankofficier*. Opm.: Volgens Enc.NWI (143) was dit woord in Sur. niet gebr., wel op Curaçao. Cairo (1982: 41) gebruikt het voor Berbice in de Nederlandse tijd, ook (p. 367) bombaay.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal