Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bolus - (vette klei; gebak)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

bolus 1 zn. ‘kleisoort, medicijn voor dieren’
Vnnl. bolus ‘rode aarde’ [ca. 1506; Braekman].
Ontleend aan middeleeuws Latijn bolus < Grieks bõlos, bõlax ‘aardkluit, grote pil, mondvol’.
Bolus of bolusaarde wordt gebruikt bij de vervaardiging van verfstoffen en vanwege de vettige eigenschappen vermengd met medicijnen als pil voor dieren.
Lit.: W. Braekman (1975) ‘Medische en technische Middelnederlandse recepten’, in: Verhandelingen van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde VI-110, Gent

bolus 2 zn. ‘rond, plat gebak; drol’
Nnl. bolus ‘rond, plat gebak’ [1839; WNT], ‘hoop mensendrek’ [1961; Dale].
Wrsch. via de Amsterdams-Jiddische vorm boles (meervoud), bole (enkelvoud) uit de taal van de Portugese joden van Amsterdam overgenomen. Het Spaans kent de vorm bollo ‘fijn broodje’, het Portugees bôlo ‘id.’, vormen die zelf weer van Latijn bolus afstammen, zie → bolus 1. Vanwege de uiterlijke gelijkenis met het gebak heeft bolus tevens de betekenis ‘drol’ gekregen.

EWN: bolus 1 zn. 'kleisoort, medicijn voor dieren' (ca. 1506)
ANTEDATERING: mnl. Van aerde genoemt bolus [1485; Engelsman, 7r]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

EWN: bolus 2 zn. 'rond, plat gebak; drol'; de betekenis 'drol' (1961)
ANTEDATERING: Met een borrel en een bolus, Ik bedoel van gember dan (zinspeling op de betekenis 'drol') [1934; Leidsche courant (Ld) 29/12]
{De datering van de eerste attestatie in het EWN moet zijn: 1841.}
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bolus [vette klei, gebak] {1541 als ‘vette klei’; de betekenis ‘gebak’ 1854} in de betekenis ‘vettige klei’ < latijn bolus [vette klei, grote pil (voor dieren, uit klei gemaakt), mondvol] < grieks bōlos, bōlax [aardkluit, grote pil, mondvol]. In de betekenis ‘gebak’ < jiddisch boles (mv.), van bole < spaans bollo [fijn broodje] of bola [bal, bol].

bolus [vette klei, gebak] {1541 als ‘vette klei’; de betekenis ‘gebak’ 1854} in de betekenis ‘vettige klei’ < latijn bolus [vette klei, grote pil (voor dieren, uit klei gemaakt), mondvol] < grieks bōlos, bōlax [aardkluit, grote pil, mondvol]. In de betekenis ‘gebak’ < jiddisch boles (mv.), van bole < spaans bollo [fijn broodje] of bola [bal, bol].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bolus znw. m. ‘soort gebak’, maar ook grote pil’ (als geneesmiddel) vgl. fra. bolus (14de eeuw) ‘soort vette klei’ < mlat. bolus < gr. bõlos ‘aardkluit, brok’. Mogelijke maar niet zekere verklaring. Men kan ook denken aan een schertsende verlatinisering van bol 1.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bolus znw. Dit woord = “soort gebak” wordt wel evenals bolus “een soort groote pil (geneesmiddel)” uit bolus “een soort van klei” (< lat. bôlus, gr. bõlos “aardkluit”) verklaard. Niet zeker.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bolus m., gelijk Fr. bol, Eng. bole, Hgd. bolus, uit Gr. bṓlos = klomp.

Thematische woordenboeken

J. van de Kamp en J. van der Wijk (2006), Koosjer Nederlands: Joodse woorden in de Nederlandse taal, Amsterdam; inclusief ongepubliceerde aanvullingen door de auteurs

bolus (mv.: -sen): plat rond gebak, bestaande uit meel, snippers sukade en stroop; drol (deze betekenis mogelijk mede o.i.v. het homoniem bolus, vette klei, ontleend aan het Lat.); gember-, orgeade-, spijsbolus (met amandelpers).
Het gebak wordt gemaakt in de spiraalvorm van een drol. In verband met de woordontwikkeling zou het interessant zijn om te weten of dit altijd zo is gedaan, of pas na een recente associatie van twee woorden ‘bolus’.
Bolusmannetje: Bontsje Sjwajg, Jan Salie, weinig eerzuchtig persoon die gauw tevreden is | Eigenlijk: meervoud van Jidd. bole < Sp. bola of bollo: bolletje. Interessant is het verspreidingsgebied van dit gebak in Nederland. Ons is het bekend van drie gebieden: Amsterdam (waar de Sefardim het brachten), Zeeland en de Achterhoek, waar men het waarschijnlijk in de zestiende eeuw rechtstreeks van de Spanjaarden overnam. Overigens noemt men een snoepje in Antwerpen een ‘bolleke’, ook in het Antwerpse Jiddisch.

— Steunend op toonbank, slurpte hij rustig, zij wachtend op de kop. Dan beet hij van de suikerzatte vetbolus, bruine tandstompjes in kleefbuil en zei met een mond vol klevrig genot: “‘k Wou dad-’k zo in jou beet! Ug-ug-ug!” “Wadde gijnponem!”, kniklachelde ze. (HERM. HEIJERMANS, 1903)
— Al hield hij “abnormaal-mesjokke” veel van zoet, hij was toch iemand, die denken kon en meer dan een afgietsel van de bedriegelijke wereld had gezien. Toch geloofde hij halsstarrig, dat Palestina naar bolussen en broodjes-met-pekelvlees riekte; naar koek en keekjes, naar worst en lever met een bijtende klodder mosterd erop...... (IS. QUERIDO, 1932)
— In de taartjeswinkel van Snatager is in de ene hoek de ‘Afdeling Bolussen’ gevestigd. Er zijn twee soorten bolussen, gember en orgeade bolussen. Elke bolus wordt apart in een ijzeren vormpje gebakken. Komt een klant voor een ‘bole’ dan zet juffrouw Snatager elk vormpje even boven een gasvlam. De boter wordt week en het gebak valt uit de vorm in de doos. Bolussen moeten warm worden gegeten, zeggen de kenners. (MEYER SLUYSER, 1957)
— Juffrouw Polk komt opgewonden bij de banketbakker binnen, bestelt zes gemberbolussen en vertelt in één adem door dat kleine Saartje van drie hoog van de trappen gevallen is en dat zij een been gebroken en een paar ribben gekneusd heeft. Iets verschrikkelijks; het gehuil van het stakkertje was niet om aan te horen. Op dat ogenblik roept de banketbakker, dat er geen gemberbolussen meer zijn. - Mogen het dan orgeadebolussen zijn? vraagt de banketbakkersvrouw - Hoe komt u er bij? vraagt juffrouw Polk. Denkt u dat mijn hoofd op het ogenblik naar orgeadebolussen staat? (MAURITS DEKKER, 1962)
— “Ik heb het lot gezien van allemaal die geen man meer hebben en waarvoor niet was gezorgd,” en nadenkend vervolgt zij: “en van hen die nog een man hebben die een schlemiel is of een tevreden bolusmannetje.” “Lea, David is ook zo’n bolusmannetje, die tevreden is met z’n loontje en z’n kippesoep op vrijdagavond. En niet veel meer verlangt dan de sjoel op sjabbes en de feestdagen.” (MAURITS WERTHEIM, 1955)

Zie ook bole

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

bolus ‘gebak’ (Jiddisch boles, mv.); ‘vette klei’ (Latijn bolus)

H. Beem (1974), Uit Mokum en de mediene: Joodse woorden in Nederlandse omgeving, Assen

bolus < Spaans bollo, fijn broodje of misschien in verband met de ronde vorm van dit gebak van Spaans bola = bol; bolus is eigenlijk de meervoudsvorm van het jidd. bole.

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Bolus, o.a. Leidsche bolus, meest bekend in den zin van een bepaald gebak, doch in de technologie ook als benaming van zekere gekleurde klei, b.v. “Terra di Siëna (een soort van Bolus, dien men in de omstreken van Siëna . . . vindt)”, Storm v. ’s-Gravezande, Burg Bouwkunde I, 209. Deze bet. is de oudste; het woord is overgenomen uit lat. bolus, grie. boolos = aardkluit. Naar den vorm werd aldus ook genoemd een soort van geneesmiddelen, grooter dan een pil, welke toebereid werden met behulp van stroop, teneinde het verorberen gemakkelijker te maken, een wijze van toedienen, die nu uit de mode, en door de capsules vervangen is. Daarna werd het de naam voor een gebak, waarin ook stroop werd gebruikt, en dat eenigszins dien vorm had; later maakte men ook bolussen, die een platter, krakelingachtigen vorm hadden. Kneppelhout 2, 38 komt het voor als bijnaam voor den man met bolussen: “Men zingt, bestormt de groene trommel van Bolus enz.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bolus gebak 1854 [WNT] <Jiddisch

bolus drol 1961 [GVD]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal