Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bolster - (notenbast, peul; kussen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

bolster zn. ‘bast’
Mnl. bolster ‘notendop’ [1477; Teuth.], bolster, bulster ‘kaf, stro’ [1490; MNW]; vnnl. die bolster ‘notendop’ [1552; Apherdianus].
Mnd. bolster, bulster ‘kussen; schaal, bast’; ohd. bolstar ‘hoofdkussen’ (nhd. Polster ‘peluw, vulling’); nfri. bolster ‘bolster’, bulster ‘beddenzak’; oe. bolster ‘kussen’; on. bolstr ‘kussen’; mogelijk, maar niet geheel zeker, uit pgm. *bulhstra- ‘stro(bed)’.
Verwant met: Sanskrit bárhiṣ ‘laag stro waarop het offer gelegd wordt’; Avestisch barəziš; Perzisch bāliš ‘kussen’); uit pie. *bhh-stro- bij de wortel *bhelǵh- ‘opbollen, opzwellen’, zie → balg.

EWN: bolster zn. 'bast' (1477)
ANTEDATERING: bolster 'notendop' in: Van buten is die bolster sure [1375-1400; MNW-R]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bolster* [bast van noten e.d.] {1477} middelnederduits bolster, bulster [bolster], oudhoogduits bolstar [idem], oudengels bolster [kussen, peluw], oudnoors bolstr, bulstr [idem]; buiten het germ. oudpruisisch balsinis, servokroatisch blazina [kussen]; de grondbetekenis is ‘zwellen’, vgl. balg.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bolster, bulster znw. m., evenals mnl. bolster, bulster m. ‘bolster, kaf, zaadstro, strobos’, mnd. bulster, bolster ‘bolster, huls’, ohd. bolstar m. (nhd. polster), oe. bolster m. ‘kussen, peluw’, on. bolstr, bulstr m. ‘peluw, kussen’ < germ. *bulhstra. — lett. pabalsts, pr. pobalso, balsinis ‘kussen, peluw’. — Zie: balg.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bolster znw., bijvorm bulster, mnl. bolster, bulster m. “bolster, kaf, zaadstroo, bos stroo”. = ohd. bolstar m. (bolstari o.; nhd. polster o. m.), mnd. bulster, bolster “huls, bolster’’, ags. bolster m. “kussen, peluw” (eng. bolster), on. bolstr m. “id.”. Ndl. bulster, in de algemeene taal alleen = “kussen”, kan een dial. variant zijn, maar ook - met westf. bülster “huls, bolster” - op *ƀulstria- of *ƀulistra- teruggaan. Buiten ’t Germ. vgl. vooral lett. pa ba’lsts “hoofdkussen”, opr. po-balso “peluw”, balsinis “kussen”. De basis bhel-s, bhelê-s- is een verlenging van bhel-, bhelê- “zwellen”; over bhelê-s- zie ook blazen. Zie verder bij bal I en voor de bet. vgl. de bij balg geciteerde woorden (in fine).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bolster m. (notenbast, kaf, peluw), Mnl. bolster (kaf, bos stroo) + Ohd. bolstar (Mhd. bolster, Nhd. polster), Ags. bolster (Eng. id.), On. bolstr (Zw. en De. bolster), een afleid., met syncope der gutturaal, van denzelfden wortel als balg.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

bulster, zn.: strozak. Mnl. bolster ‘bolster, bast’, Vnnl. bolster ‘bast, kussen’ (Kiliaan). Ohd. bolstar ‘hoofdkussen’, Mhd. polster, Mnd. bolster, bulster, Oe. bolster ‘kussen’. Germ. *bulhstra-, afl. van Idg. *bhelgh- ‘zwellen’ (in bv. balg, belgen), bij Idg. wortel *bhel- ‘opblazen, opzwellen’. Vgl. Ovl., Zvl. bolster(ig) ‘opgeblazen, opgezwollen’. D. Polster betekent namelijk ook ‘vulling (van kledingstuk)’.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

bolster 1, zn.: valse plooi in kledingstuk. Mnl. bolster ‘bolster, bast’, Vnnl. bolster ‘bast, kussen’ (Kiliaan). Ohd. bolstar ‘hoofdkussen’, Mhd. polster, Mnd. bolster, bulster, Oe. bolster ‘kussen’. Germ. *bulhstra-, afl. van Idg. *bhelgh- ‘zwellen’ (in bv. balg, belgen), bij Idg. wortel *bhel- ‘opblazen, opzwellen’. Vgl. Ovl., Zvl. bolster(ig) ‘opgeblazen, opgezwollen’. D. Polster betekent namelijk ook ‘vulling (van kledingstuk)’.

polster, zn.: hoofdkussen. Vgl. D. Polster ‘kussen’. Zie bolster 1.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

bolster, bolsterachtig (ZO), bolsterig (A, ZV), bulsterig (ZV), bn.: opgeblazen, opgezwollen, bulsterig. Zoals Ndl. bolster 'huls' uit Germ. *bulstria < Idg. wortel *bhel- 'zwellen'.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

bulster door de strodekker gebruikte loopplank van een steiger (West-West-Vlaanderen). = eng. bolster ‘bep. deel v.e bouwconstructie’ ~ nl. bulsem ‘dwarshout v.e. stelling’. Verwantschap met bulster ‘kussen’ is onwaarschijnlijk.
WVD II afl. II 11, WNT III 1883-1884.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Bolster, van den Germ. wt. belg = zwellen. Zie Belgen.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bolster* bast van noten e.d. 1477 [Teuth.]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

bhelg̑h- ‘schwellen; Balg (aufgeblasene Tierhaut), Kissen, Polster’, (Erw. von bhel- ‘aufblasen’ usw.)

Ai. barhíš- n. ‘Streu, Opferstreu’ = av. barǝziš- n. ‘Polster, Kissen’, npers. bāliš ‘Kissen’; ai. upa-bárhaṇa-m, upa-bárhaṇī f. ‘Decke, Polster’;
Ob mit Asp.-Diss. gegen das Formans -ha- hierher ai. bárjaha-ḥ ‘Euter’?
ir. bolgaim ‘schwelle’, bolg f. ‘Blase’, bolg m. ‘Sack, Bauch, Hülse, Hose’, mir. bolgach f. ‘Beule, Blase, Blatter; Pocken’, bolgamm ‘Schluck’, cymr. bol, bola, boly ‘Bauch, Sack’, bul ‘Samenhülse’ (PL. von boly), bret. bolc’h ‘cosse de lin’, vann. pehl-en (aus *pehl-) ds., gall. bulga ‘Ledersack’ (daraus ahd. bulga ‘lederner Wasserbehälter’); gall. Belgae ‘die Zornigen’;
got. balgs m. ‘Schlauch’, aisl. belgr m. ‘abgestreifte Tierhaut, Balg, Bauch’, ahd. mhd. balg ‘Balg, Schlauch, Blasebalg, Schwertscheide’, ags. bielg, byl(i)g ‘Balg, Beutel’, engl. belly ‘Bauch’, bellows ‘Blasebalg’ (germ. *ƀalʒi- m., vgl. аpr. balsinis; vielleicht hat auch ai. barhiṣ-, av. barǝziš- idg. -i-s- als Erw. dieses i-St.);
aisl. Partiz. bolginn ‘geschwollen’, Kaus. belgja ‘aufschwellen machen’, as. ags. belgan St.-V. ‘zornig sein’, ahd. belgan ‘aufschwellen’, refl. ‘zürnen’, afries. Partiz. ovirbulgen ‘erzürnt’;
aisl. bylgja ‘Woge’, mnd. bulge ds.; *bul(h)stra- in aisl. bolstr m. ‘Kissen’, ags. bolster n. ‘Polster, Kissen’, ahd. bolstar ds., ndl. bolster ‘Fruchtbalg, Hülse’;
apr. balsinis ‘Kissen’ (*bholg̑hi-nos), pobalso ‘Pfühl’, lett. pabàlsts m. ‘Kopfkissen’ (und ‘Stütze’, s. oben S. 123); slov. blazína ‘Kissen, Matratze, Bettpfühl; Fuß- oder Handballen’ (und ‘Dachbalken, Querbaum des Schlittens, Rungstock’, s. oben S. 123), skr. blàzina ‘Kopfkissen, Polster, Federbett’; russ. bólozenь m. ‘Schwiele, Beule, Leichdorn, Hühnerauge’ (aber russ. dial. bólozno ‘dickes Brett’). Hierher wohl als ven.-ill. Lw. apr. balgnan n., alit. balgnas, lit. bal̃nas ‘Sattel’ (wohl aus ‘Kissen’). Weitere baltoslav. Formen s. oben S. 123.

WP. II 182 f., WH. I 122. Vgl. über gr. μολγός ‘Ledersack’ Vendryes BSL. 41, 134 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal