Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

boezelaar - (voorschoot)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

boezelaar zn. ‘voorschoot’
Vnnl. boezelaar [1691; WNT boezel].
Afleiding met het achtervoegsel → -aar bij een Vroegnieuwnederlandse werkwoord boezelen [1634; WNT], dat wrsch. een frequentatief is bij vnnl. boezen ‘redderen, rommelen, scharrelen’, boesen ‘heftig kloppen’ [1599; Kil.]. De herkomst van dit woord is niet duidelijk; mogelijk is het een nevenvorm van → beuzelen. Misschien ook hangt het samen met het werkwoord → buizen 1, of met → boos.

EWN: boezelaar zn. 'voorschoot' (1691*)
ANTEDATERING: Met sijn rassen schortje aen, En sijn boeselaer voor gedaen [1694; Buysman, 48]
{* De attestatie in het EWN komt uit het WNT en is uit 1727. Het is een citaat uit A large dictionary English and Dutch (s.v. safeguard). van W.Sewel.}
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

boezelaar* [schort] {1786} van boezelen [redderen], dat een nevenvorm is van beuzelen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

boezelaar znw. m. het woord is eerst na Kiliaen aan te wijzen. Het ziet er uit als een afl. van boezelen, dat in oudnnl, ‘redderen’ betekende. Te vergelijken met ndd. busseln ‘knoeien, wroeten’, dat verder dan tot de groep van beuzelen te rekenen is.

Wat de oe betreft, behoeft men niet aan een bepaald dialect te denken, noch aan een relictwoord. De rij bazelen: beuzelen: boezelen wijst duidelijk op jonge affectieve klinkervariaties (zie de Vries, PBB 80, 1958, 1-32).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

boezelaar znw. (de en het), nog niet bij Kil. Wsch. van oudnnl. boezelen “redderen” afgeleid, dat wel een dial. vorm met oude û zal zijn, die evenals ndd. busseln “knoeien, wroeten” zich aansluit bij beuzelen. Het is niet mogelijk aan te geven, in hoeverre ook andere woorden zooals Kil. boesen “impetuose pulsare” (nog dial. ndl. en ndd.), ndd. pusselen, püsselen “beuzelen”, hd. bosseln “id.” met deze woordfamilie in verband staan. Boezel stofnaam en “boezelaar” is wsch. jonger dan boezelaar.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Boezelaar van boezen: drukte maken; verder: opruiming houden, schoonmaken met het frequ. boezelen = spoelen, wasschen: „Er wordt geboezeld en uitgehaald (= schoongemaakt in huis). Boezelaar is dus het kleedingstuk, dat men bij het schoonmaken voordoet.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal