Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

boetseren - (vormen, kneden)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

boetseren ww. ‘vormen, kneden’
Vnnl. bootseren ‘ruw vormen’ [1562; Naembouck], boetsen, boetseren, opboetsen, wtboetsen [1573; Thes.].
Evenals ouder bootsen (zie → nabootsen) ontleend aan Oudfrans bocer ‘vormen’ (Nieuwfrans bosseler), dat is afgeleid van het zn. boce ‘bult, knop’; de -ts- in het Nederlands wijst op ontlening aan het Picardisch.
Als zn. al mnl. bootse, boetse ‘bult, gezwel’ [1351; MNW] in geneeskundige verhandelingen. Het woord laat zich vergelijken met Oudfrans boce ‘buil’ (Nieuwfrans bosse ‘knop, bochel, reliëf’), Middelengels boss ‘knobbel, knop’ en, ouder, Italiaans bozza ‘ontwerp, kraagsteen’; de Romaanse woorden vindt men gebruikt in de culturele context van het maken van reliëfbeeldhouwwerk, ze gaan terug op ohd. bōzan ‘slaan’, waarbij ook oe. bēatan (ne. beat) hoort, zie → beat, → bijvoet.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

boetseren [kleien] {bootseren 1562} hetzelfde woord als bootsen; de vorm boetseren is een jongere ontlening.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bootsen ww., vooral in de samenst. nabootsen. Sedert den Teuth.: samenboittzen, hoipen, ront maken “conglobare”. Uit ofr. bocer (nu gew. bosseler) “verheven beeldwerk maken”. Denzelfden oorsprong heeft boetseren, oudnnl. ook bootseeren (o.a. bij Kil., die ʼt woord “Fland. Holl.” noemt), nhd. bossieren. Ofr. bocer komt van boce “bult, verhevenheid”, waarop ook mnl. oudnnl. bootse “id.” (vgl. nog poets) teruggaat en dat ook reeds vroeg in de rom. talen (wsch. het eerst it. bozza) van verheven beeldhouwwerk gebruikt werd. De rom. woorden leidt men van ohd. bôӡan “slaan” af. Zie bij bot II.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

boetseeren o.w., frequent. van bootsen (z.d.w. en vergel. Fr. bosseler).

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

boetseren (Picardisch bocer)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Bootsen (nabootsen, boetseeren), van ’t Fr. boche (en dit voor boce, spr. bootse) in de bet. van bult, verhevenheid; inzonderheid: verheven drijfwerk op steenen vervaardigd (de figuren zijn dus niet in den steen gebeiteld, maar er op, zooals de letters op een caoutchouc-stempel). Hieruit ontwikkelde zich de bet. van beeldwerk-maken, zoodat boots bij ons eerst beteekende beeld („een sittende bootse”), daarna: model in klei, op papier, enz. om er een beeld of figuur naar te vormen. Verder is het verwant met poets, pots: een grap, oorspr. de naam voor de koddige figuren, die men in de middeleeuwen tot het opsieren van kunstwerken gebruikte: „Luyden die ons met haar koddige bootsen vermaken”, zegt Vondel nog.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

boetseren ‘kleien’ -> Fries boetsearje ‘kleien’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

boetseren kleien 1562 [Naembouck]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal