Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

boeren - (het boerenbedrijf uitoefenen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

boer 1 zn. ‘landbouwer’
In de huidige betekenis pas vnnl. boer ‘landbouwer’ [1516; MNHWS], boer, ein gebuer ‘landman’ [1518; Murmellius], ook boerman ‘boer’ [1544; MNHWS]. Voor oudere vindplaatsen zie → buur, dat de klankwettige standaardtalige vorm is van boer.
Boer is tot de standaardtaal doorgedrongen vanuit een oostelijk dialect waarin zich de palatalisatie van de West-Germaanse ū niet heeft voorgedaan.
Degenen die op het platteland elkaars buren ‘(mede)bewoners’ waren, waren vanuit het gezichtspunt van de stedelingen ‘landbouwers’, vandaar de betekenisontwikkeling. Daarnaast worden ook bepaalde kooplui die van oudsher uit de dorpen kwamen, -boer genoemd, zoals de turfboer [turffeboere 1437; MNW torfboer] (later naar analogie kolenboer), de groenteboer, de visboer. Het woord werd dan ook veelal pejoratief gebruikt, tegenover neutralere termen als landman, veldman e.d.
boerderij zn. ‘boerenwoning’. Vnnl. boerery ‘boerenbedrijf’ [1644; WNT]; nnl. Boerdery ‘boerenwoning’ [1784-85; WNT], pas rond 1800 uit de volkstaal in de schrijftaal overgenomen. Eerder dan een afleiding van het zn. boer is het een afleiding van het werkwoord boeren ‘een boerenbedrijf hebben’ (zoals bakkerij van → bakken 1) met het achtervoegsel → -erij. Tussen de twee -r-'s werd een -d- ingevoegd, zoals ook in → eerder. Het Fries heeft (boere)pleats voor ‘boerenwoning’ en buorkerij voor ‘het boeren; het boerenbedrijf’. ♦ boeren 1 ww. ‘het boerenbedrijf uitoefenen’. Vnnl. boeren = bouwen ‘op het land leven, het boerenbedrijf uitoefenen’ [1599; Kil.].

EWN: boer 1 zn. 'landbouwer' (1516)
ANTEDATERING: mnl. boor, boer 'boer, landman', eerst in de toenamen van Heinric de Bor (= de Boor) [1375; Debrabandere 2003] en Jan Boer [1434; Debrabandere 2003] (1516)
Later: een grof karel ende boer 'een onbehouwen vent en boerenpummel' [1508; MNW-P]
EWN: ♦ boerderij zn. 'boerenwoning'; de vorm boerderij (1784-85)
ANTEDATERING: Boerdery 'boerenhuis en -bedrijf' [1726; E.Mercurius 2, 106]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

boerderij znw., nog niet bij Kil. Oudere vorm: boererij. = ndd. (oostfri.) bûrerê, bûrderê. Afgeleid van boeren, ndd. bûren “boer zijn” evenals fri. boerkerij (ook gron. ndd.) van boerkje “id.”.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

boeren ww.: naam van een spel. Er werden centen gelegd op de boer, een op zijn smalle kant gezette klinker, waarnaar met een platte steen gemikt werd. Vandaar ook boerstekken ‘spel waarbij enige op elkaar gestapelde stenen met een steen omgeworpen moeten worden’. De boer is oorspr. eigenlijk de bewaker van de steenhoop. Vgl. Kortrijks boer zijnen hoop, Wvl. strontboer, als namen voor hetzelfde spel. Samenst. kalleboeren.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal