Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

boender - (borstel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

boenen ww. ‘schrobben’
Mnl. boenen ‘schrobben’ [1286; CG I, 1176].
Os. bōnen ‘schuren, polijsten’ (mnd. bonen > nzw. bona); nfri. biene, bjinne, binzgje; oe. bōnian ‘verfraaien, polijsten’; < pgm. *bōnōn- ‘glanzend maken’. Hierbij hoort ook de frequentatiefvorm nhd. bohnern ‘schrobben’.
Buiten het Germaans zijn verwant: Grieks phaínein ‘doen verschijnen’ (zie → fantasie), pi-phaú-skein ‘lichten’, pháos, phõs ‘licht’ (zie → fosfor, → foto); Sanskrit bhā- ‘schijnen’, bhānú- ‘pracht’; Oudiers bán ‘wit’; bij de wortel pie. *bheh2- ‘glanzen, schijnen’ (IEW 105), waaruit misschien ook → baken.
Dit werkwoord lijkt zich vanuit het noorden over het Nederlandse taalgebied verspreid te hebben: in het Duitse taalgebied bijv. heeft de Oost-Nederduitse vorm bohnern ‘boenen’ pas in de 20e eeuw vaste voet gekregen ten koste van het West-Nederduitse bonen. In het Zuid-Duits is het werkwoord in beide vormen ongebruikelijk.
boender zn. ‘werktuig om mee te boenen’. Nnl. boenders en schrobbers [1784; WNT]. De oorspr. vorm moet *boenre zijn geweest, als afleiding van boenen met een achtervoegsel -re dat in dit geval het instrument aanduidde. Tussen de -n- en de -r- ontwikkelde zich een epenthetische -d-, zoals in → donder uit Middelnederlands donre.

EWN: ♦ boender zn. 'werktuig om mee te boenen' (1784)
ANTEDATERING: vnnl. met eenen selvighen boender gheschrobt 'met eenzelfde borstel geschrobd' [1612; Meerman, C4r en C4v]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

boender zn. m.: ruwe kerel. Bargoens woord voor ‘stoethaspel, vies, onbeschaafd persoon’.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

boender: (Bargoens) onbeschoft persoon, een stoethaspel* of een viezerik. Reeds bij Henke: ‘smeerpoes, vuilik’. Onder (Groningse) studenten vroeger ook een geringschattende benaming voor een niet-corpslid; vervolgens ook voor een niet-student (De Beer & Laurillard). Etymologie onduidelijk. Boender betekent eigenlijk ‘ruwe, grove borstel’.

Hij was meteen in trance en siste tegen de ‘boender’: ‘wegwezen’. (Harry Boting, Nog meer jatmous, 1967)
Na een wat lang uitgevallen studententijd toch nog een soepele en vooral snelle maatschappelijke carrière. Koele afstandelijkheid of wufte arrogantie tegenover ‘boenders’ en ‘ploerten’, zeg maar ‘de gewone burger’. (Nieuwe Revu, 19/01/1989)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

boender ‘borstel’ -> Indonesisch bundar, bunder ‘schrobborstel’; Boeginees bûndurú ‘bepaalde borstel’; Makassaars bûndurú, bûnrulú ‘bepaalde borstel’; Nias bundra ‘borstel’; Creools-Portugees (Ceylon) bondal ‘borstel’; Singalees † boūndele, boundele ‘borstel’; Amerikaans-Engels boonder ‘borstel’.

N. van der Sijs (2009), Yankees, cookies en dollars, Amsterdam

Amerikaans-Engels boonder, schrobber, borstel (Craigie).
- Van Nederlands boender ‘borstel’, van boenen ‘wrijvend schoonmaken’; overgenomen in de zeventiende of achttiende eeuw en inmiddels verdwenen.
* Het woord, regelmatig geassocieerd met de netheid van de Nederlandse huisvrouwen, is waarschijnlijk al vroeg overgenomen. Het is nooit verbreid geraakt buiten de oostkust van de VS.
1791 Fate early had pronounc’d this building’s doom, ne’er te bo vex’d with boonder, brush or broom.
1826 The scrubbing is done with a small broom, made of a blak ash or hickory sapling, after the Indian manner; the body of it is two and a half or three inches thick, and about four inches long; the handle five or six. It is called a boonder. (The American Farmer, Vol. 8., 1826, No. 7, p. 49)
1889 Boonder, … a brush. Still commonly used in New York and New Yersey.
1902 Boonder (Dutch). A word still in use in New York City for a scrubbing-brush. (Clapin)

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1064. Over éen (of denzelfden) kam scheren,

d.w.z. op dezelfde wijze behandelen; geen onderscheid maken tusschen den een en den ander; eene spreekwijze ontleend aan de weverij, zoodat kam hier weverskam beteekent, die breed en fijn is, naar gelang het stuk, dat men weeft, breed en fijn is; eig. wil de uitdr. derhalve zeggen: de draden spannen (scheren) over denzelfden kam, en daarna bij overdracht: iets op dezelfde wijze behandelen, gelijk beoordeelen.Anderen denken aan den haarkam of den wolkam, waarop het haar genomen wordt, waardoor het snijden gelijkmatig kon geschieden. Zie Mnl. Wdb. III, 1135; Ndl. Wdb. VII, 1040; XI, 243; Grimm, V, 102; Halma, 253 en 561. Vgl. Campen, 133: Hy scheertste al te saemen over eenen cam; Hooft, Ned. Hist. 215; 291; in de 17de eeuw ook op denzelfden kam scheren (o.a. bij Hondius, Mouf. 141; 338; Poirters, Mask. 146) en iemand op eenen anderen kam zetten, iemand anders behandelen (Coster, 30, vs. 598); fri. alles oer ien kaem kjimme naast alles oer ien line lûke (over éen lijn trekken). Vergelijk hiermede Joos, 78: ze zijn op eenen kam geschoren; De Bo, 485; Waasch Idiot. 322 a; Antw. Idiot. 614: zij zijn in (op of door) denzelfden kam geschoren, d.i. zij verkeeren in denzelfden toestand of hebben hetzelfde karakter; in eenen aardigen kam geschoren zijn, in een vreemden, moeilijken toestand zijn; hd. alles über einen Kamm scheren, über einen Leisten schlagen (op dezelfde leest schoeien); nd. alles over ên Kamm scheren (Eckart, 244); eng. to weave all pieces on the same loom, uitdrukkingen, die in beteekenis overeenkomen met de vroegere met éen kwast of kwispel overstrijken (Van Effen, Spect. XI, 45; De Brune, Embl. 308); over denzelfden stok water doen dragen (Marnix, Byenc. (ed. 1640), 4 b; De Brune, Embl. 256) en met denzelfden boender schrobben (Com. Vet. 71Door contaminatie van over één kam scheren en over één boeg liggen of zeilen is ontstaan alles over êén boeg scheren, dat voorkomt in De Arbeid, 15 April 1914, p. 4 k. 3: Het spijt mij dat de schrijver alles over één boeg scheert; .... Als het waar is dat alles over één boeg geschoren moet worden, enz.; ze allemaal in één mand spittenN. Taalgids XI, 305..

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal