Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

boen - (goed)

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

boen tw., goed. Boen, zei ze, ik ben je moeder komen zien*. Ik moest vandaag vroeg uit, toen dacht ik, laat ik je moeder komen groeten* (Dobru 1968c: 58). - Etym.: Als bn. kwam b. in het N van de 16e en 17e eeuw voor, vermoedelijk van F bon (= goed), dat in Noord-Frankrijk ongeveer als ‘boen’ wordt uitgesproken (WNT 1902). Omdat b. , als tw. en als bn. en bw., in het S voorkomt, lijkt het in het SN een leenwoord, maar dat hoeft dus niet zo te zijn. Vgl. ook E boon (bn.), dat nu ‘vrolijk’ bet., maar vroeger ‘goed’ en in die laatste bet. nog op Jamaica gebr. wordt (C&L).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal