Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

boekweit - (graansoort (Fagopyrum esculentum))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

boekweit zn. ‘graansoort (Fagopyrum esculentum)’
Mnl. in de samenstelling boecweitslant ‘land waarop boekweit groeit’ [1413; MNHWS], boecweyt [1441; Stall. I, 264].
Gevormd uit een variant van → beuk 1 en → weit ‘tarwe’.
Mnd. bokwet(e); nhd. Buchweizen; nfri. bo(e)kweit, -weet, -wyt; nzw. bovete (< mnd.).
De plant dankt haar naam aan het feit dat de vrucht van de boekweit drievlakkig is en daardoor gelijkenis met het beukennootje vertoont. Aan mnl. boecweit is ontleend Frans boecaut [1582; Wartburg], bucail, bucaille [1611; FEW] en ook door volksetymologie Frans beaucuit ‘mooi, goed gebakken’ (thans verouderd).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

boekweit* [plant] {boecweit 1441, vgl. boecweitslant [land waarop boekweit wordt verbouwd] 1413} lett. ‘beuktarwe’, van boek [beuk] + weit; zo genoemd omdat de korrels overeenkomst vertonen met beukennootjes.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

boekweit znw. v., laat-mnl. boecweit, mnd. bōkwēte (en van daar uit > nhd. buchweizen, ne. buckwheat, de. boghvede, zw. bokvete) is een samenstelling van boek = beuk en weit. De plant kwam eerst in het begin der 15de eeuw uit Midden-Azië naar Europa en kreeg deze naam, omdat de korrels tegelijk een aan de beukenoot herinnerende vorm en een met weit overeenkomende smaak hadden. — > fra. beaucuit, eerst (15de eeuw) in het waals als boukaie (Gamillscheg 92; M. Valkhoff 71).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

boekweit znw., laat-mnl. boecweit m. = laat-mnd. bôkwête. Naar het ndd-ndl. woord zijn nhd. buchweizen m., eng. buckwheat, de. boghvede, zw. bohvete “boekweit” gevormd. Oorspr. bet. “beuken-weit”, zoo genoemd omdat de vrucht veel op de beukenoot lijkt. Vgl. beuk en weit. In ’t begin van de 15. eeuw is de plant naar Europa gekomen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

boekweit v., Vla. boekwijt, eigenlijk beukentarwe (z. beuk en weit) + Eng. buckwheat, Hgd. buchweizen, Zw. bohvete, De. boghvede. Kwam eerst in de 15de eeuw naar Europ. uit Afrika, het land der Sarracenen (waarom Fr. sarrasin); hare vrucht heeft den vorm eener beukenoot en smaakt naar tarwe. Uit Ndl. boekweit, Fr. beaucuit, bo(u)quette.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

boeget, zn.: boekweit. Uit boeket ‘boekweit’, vgl. Br. boegent.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

boegent, bogent, bongent, zn.: boekweit. Varianten van boekent < boeket ‘boekweit’

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

boegend, bogent, boekend, bongend boekweit (Brabant). = boekweit. Eerste deel = beuk; de vrucht lijkt namelijk veel op een beukenoot. Het tweede deel = n.oostnl. weit ↑ ‘tarwe’.
De Bont 1958, 121-122.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

boekweit: pln. v. ingevoerde (mak) en inheemse (wilde) spp. Fagopyrum, fam. Polygonaceae, – boekwiet/(volkset.) bokweit/-wiet – ; Ndl. boekweit (kleur, vorm en smaak v. korrels het blb. laat dink aan dié van neute v. beuk/boek en boekenhout (q.v.), vandaar boekweit, met weit = Eng. wheat, Hd. weìzen, wat wsk. verb. hou m. Ndl. en Afr. wit, Eng. white en Hd. weiss). Anders as by barlewiet (q.v.) het Eng. sy buckwheat blb. aan Ndl. en/of Pd. vorme te danke (Hoops I s.v. Ackerbau).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

boekweit ‘graansoort’ -> Engels buckwheat ‘graansoort’; Deens boghvede ‘graansoort’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors bokhvete ‘graansoort’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds bovete ‘graansoort’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans bucail(le) ‘graansoort’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

boekweit* graansoort 1413 [HWS]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

bhāgó-s ‘Buche’, f.

Gr. φηγός, dor. φᾱγός f. ‘Eiche’ (vgl. Specht KZ. 66, 59); lat. fāgus f. ‘Buche’; gall. bāgos in ON Bāgācon, Bāgono-; ahd. buohha ‘Buche’ (bōkōn-, vgl. silva Bācenis ‘Harz’ bei Caesar und mlat. Bōcōnia ‘Rhön’), aisl. bōk f., ags. bōc, bēce (bōkjōn-), dazu got. bōka f. ‘Buchstabe’, aisl. bōk, ags. bōc, ahd. buoh f. n. ‘Buch’, ahd. buohstap ‘Buchstabe’, eigentlich ‘Buchenstab zum Einritzen’.
Nisl. beyki n. ‘Buchenwald’ ist (wegen bæki ds.) Schreibvariante von *bӧ̥̄ki, einem späten Kollektivum zu bōk; ebenso ist vielleicht nisl. beykir ‘Küfer’ zu erklären. Unklar ist mir aisl. buđkr, bauđkr ‘Medizinkasten’, das nach Cleasby-Vigfusson 85b ein Lw. aus mlat. apotheka ‘Behälter’ sein soil?
Slav. *buza- : *bъzъ- ‘Holunder’ in russ. buz m. : slov. bɛz, russ. dial. boz bleiben wohl fern; ebenso kurd. būz ‘eine Art Ulme’, das auf älteres vūz (aus idg. *u̯igós) zurückgeht. Mhd. būche, biuche ‘Lauge’, biuchen, būchen ‘in Lauge kochen oder waschen’ gehört eher zur Wz.bheug(h)- ‘reinigen, fegen’.
Ein idg. Nebeneinander von bhāug- (: bhǝug-: bhū̆g-) und bhāg- ist äußerst unwahrscheinlich; vgl. W. Schulze KZ. 27, 428 = Kl. Schr. 55.
Vielleicht nach E. Leumann (KZ. 57, 190) zu av. baga- ‘Anteil, Los’, also ‘Losbaum’, da in dessen Reiser Zeichen eingeritzt wurden.

WP. II 128 f., WH. I 445 f., 863 f., E. Passler in ‘Frühgesch. u. Sprachw.’ (Wien 1948).

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal