Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

boekstaven - (op schrift stellen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

boekstaven ww. ‘op schrift stellen’
Mnl. boecstaven ‘spellen’ [1477; Teuth.]; vnnl. boeck-stauen [1599; Kil.]. Al eerder als zn.: onl. buocstaf ‘letter’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. boecstave, -staef; vnnl. boeckstaf, oft letter, als ABC [1573; Thes.].
Afleiding van het inmiddels verouderde zn. boekstaaf ‘letterteken’, samengesteld uit → boek en → staaf, → staf.
Als zn: os. bōkstaf; ohd. buohstab [8e eeuw]; oe. bōcstæf; on. bókstafr (nzw. bokstav ‘letter’); < pgm. *bōk-staba- ‘Latijnse letter’ uit pgm. *bōk- ‘letterteken, toverteken, lotsteken’, en *staba- ‘staafje’. Deze aanduiding stond tegenover *rūn-staba-, waarmee een rune werd aangeduid. De mnl. vorm gaat evenals os. bōkstabo; mhd. buochstabe (nhd. Buchstabe) terug op pgm. *bōk-staban-, een afleiding bij *bōk-staba-.
De oorspr. betekenis is dus ‘toverstaafje, lotsstaafje’, dat ten behoeve van bezwering of heilwensen van lettertekens werd voorzien. Zo werden bijv. taxusstaafjes met runentekens beschreven; de taxus was een heilige boom. In de Keltische talen bestaat een vergelijkbaar woord: Welsh coelbren uit coel ‘teken, voorteken’ en bren ‘hout’; Welsh crann betekent ‘hout’ en ‘lot’. Verder ook Sanskrit bhájati ‘hij deelt toe’, bhaga- ‘bezit, rijkdom’; Avestisch baga ‘deel, lot, geluk’ < pie. *bheh2g (IEW 107).
Lit.: E. Ebbinghaus (1982) ‘The Book and the Beech Tree’, in: General Linguistics 22, 99; Seebold 1981, 291-292

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

boekstaven* [spellen, te boek stellen] {boickstaven [spellen] 1477} van oudnederlands buohcstaf, boecstaef [letterteken] {901-1000} van boek1 + staf [rune]; het is een hoofdzakelijk stokvormige lijn die in hout of steen is geëtst; vgl. oudhoogduits buohstab, oudsaksisch bōkstaf, oudengels bōcstaef, oudnoors bōkstafr, die alle oorspr. betekenden de Latijnse letters zoals die in een boek werden gebruikt → boek1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

boekstaven ww., mnd. bôkstaven, mhd. buchstaben, nfri. boekstawerje is afgeleid van mnl. boecstaf, os. bōkstaf, onfrank. buochstaf, ohd. buohstap (nhd. buchstabe), oe. bōcstæf, on. bōkstafr. Men verklaarde dit vroeger als een stokje van beukenhout, waarin de runentekens gegrift werden. Maar een beukenhoutje, waarin tekens geritst werden, is niet zonder meer ook het letterteken zelf. In on. stafr., oe. stæf vinden wij naast de betekenis ‘stok’ ook die van ‘letter’; klaarblijkelijk omdat de runentekens overwegend uit rechte strepen bestonden en dus inderdaad ‘staven’ waren. Het woord boekstaaf was nu een nieuw woord voor het latijnse letterteken (zie daarvoor: boek).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

boekstapelen, inbokstapelen, bokstapelen inprenten (Bommelerwaard, Noord-Brabant). Afl. van boekstaven, afgeleid van boekstaaf ‘letter, oorspr. beukenstaafje’; daarin werden de runen gegrift in de oudgermaanse tijd. Betekenisontwikkeling: ‘met beukenstaafjes de toekomst voorspellen’ › ‘zeggen waar het op staat of inprenten’. De p is gevolg van volksetymologie.
De Bont 1958, 265, WNT III 127-130.

Thematische woordenboeken

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Boekstaven, de letters van een woord opnoemen, spellen (nu nog in Gron.), iemand leeren spellen (verouderd), iemand iets letterlijk voorzeggen (als voren), in letters uitdrukken, opstellen, neerschrijven (meest in verheven stijl), met de stukken aantoonen, met bescheiden staven (min gewoon). Zoo was den eed staven, den eed voorzeggen, formuleeren, bevestigen

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

boekstaven* te boek stellen 1477 [Teuth.]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

bhāgó-s ‘Buche’, f.

Gr. φηγός, dor. φᾱγός f. ‘Eiche’ (vgl. Specht KZ. 66, 59); lat. fāgus f. ‘Buche’; gall. bāgos in ON Bāgācon, Bāgono-; ahd. buohha ‘Buche’ (bōkōn-, vgl. silva Bācenis ‘Harz’ bei Caesar und mlat. Bōcōnia ‘Rhön’), aisl. bōk f., ags. bōc, bēce (bōkjōn-), dazu got. bōka f. ‘Buchstabe’, aisl. bōk, ags. bōc, ahd. buoh f. n. ‘Buch’, ahd. buohstap ‘Buchstabe’, eigentlich ‘Buchenstab zum Einritzen’.
Nisl. beyki n. ‘Buchenwald’ ist (wegen bæki ds.) Schreibvariante von *bӧ̥̄ki, einem späten Kollektivum zu bōk; ebenso ist vielleicht nisl. beykir ‘Küfer’ zu erklären. Unklar ist mir aisl. buđkr, bauđkr ‘Medizinkasten’, das nach Cleasby-Vigfusson 85b ein Lw. aus mlat. apotheka ‘Behälter’ sein soil?
Slav. *buza- : *bъzъ- ‘Holunder’ in russ. buz m. : slov. bɛz, russ. dial. boz bleiben wohl fern; ebenso kurd. būz ‘eine Art Ulme’, das auf älteres vūz (aus idg. *u̯igós) zurückgeht. Mhd. būche, biuche ‘Lauge’, biuchen, būchen ‘in Lauge kochen oder waschen’ gehört eher zur Wz.bheug(h)- ‘reinigen, fegen’.
Ein idg. Nebeneinander von bhāug- (: bhǝug-: bhū̆g-) und bhāg- ist äußerst unwahrscheinlich; vgl. W. Schulze KZ. 27, 428 = Kl. Schr. 55.
Vielleicht nach E. Leumann (KZ. 57, 190) zu av. baga- ‘Anteil, Los’, also ‘Losbaum’, da in dessen Reiser Zeichen eingeritzt wurden.

WP. II 128 f., WH. I 445 f., 863 f., E. Passler in ‘Frühgesch. u. Sprachw.’ (Wien 1948).

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal