Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

boei - (drijvend baken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

boei 2 zn. ‘drijvend baken’
Vnnl. boye ‘drijver’ [1563; WNT uitwerpen I], boeye “anckervlot” [1599; Kil.].
Herkomst onduidelijk. Mogelijk hetzelfde woord als → boei 1; in dit geval kan het eveneens via het Frans ontleend zijn, wellicht al in de betekenis ‘ton die vastgeketend, verankerd ligt’. Anderen veronderstellen dat boei ‘baken’ teruggaat op een andere vorm: Oudfrans *boie, boue [1394] (Nieuwfrans bouée ‘boei, baken’), waarbij dan de vorm *boie terug zou gaan op Oudfrankisch *bōkan < pgm. *baukna- ‘baak, merkteken’, zie → baken. Vanwege de vorm boue wordt echter ook gesuggereerd dat het Frans het woord aan Nederlands boei heeft ontleend (Toll.).
Duits Boje ‘(anker)boei’, Fries boei ‘drijver, baken’ [1869; WFT], Deens boie, bøie en Zweeds boj komen uit het Nederlands of Nederduits; Engels buoy komt uit het Nederlands of wellicht rechtstreeks uit het Frans. Het woord is uit het Nederlands voorts ook ontleend in Italiaans boia; Spaans boya; Russisch bui.
reddingsboei zn. ‘(kurken) boei om op te drijven’. Nnl. redding-boei ‘id.’ [1813; WNT]. Samenstelling met het nomen actionis redding bij → redden.
Lit.: B. Vidos (1957) ‘Étymologie organique’, in: Revue de Linguistique Romane 21, 93-105

EWN: boei 2 zn. 'drijvend baken' (1563)
ANTEDATERING: Boeye 'boei' [1551; iWNT]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

boei2 [drijvend baken] {boeye 1599} < oudfrans boie, uit het germ., vgl. baak1, baken; volgens anderen evenals boei1 < latijn boiae (mv.) [halsband].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

boei 2 znw. v. ‘ton, baken’, mnl. boeye, boye, mnd. boie < ofra. boie (nfra. bouée). Dit woord is niet, zoals men vroeger aannam uit lat. boia overgenomen (waartoe men een betekenisovergang van ‘boeireep’ tot ‘boeiton’ moest construeren), maar uit het frank. *bōkan ‘baak, merkteken’, waarvoor zie verder onder baak (Gamillscheg 126).

Uit het nnl. boei zullen overgenomen zijn spa. boya, port. boia, ital. boia, boa (Valkhoff, Album Verdeyen 332).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

boei II (ton), mnl. boeye, boye v. Evenals mnd. boie “boei, ton” uit het Rom.: ofr. boie, spa. boya. Wsch. overgenomen in de bet. “boeireep”; tenzij ofr. boie, buie reeds “boei, ton” beteekend heeft: nieuwfr. bouée = “boei, ton”. Het rom. woord uit lat. bôia: zie boei I. Uit het Ndl. resp. Ndd. komen nhd. boje v., eng. buoy, de. boie, bøie, zw. boj “boei”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

boei II (ton). Het hier genoemde rom. woord wordt ook wel van het bij boei I genoemde gescheiden en afgeleid uit het germ. woord bij baak besproken.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

boei 2 v. (ankerton), eigenlijk ton die aan een boei ligt, uit Ofra. boye (Nfra. bouée), dat, gelijk Sp. boja, uit Mlat. boiam (-a) (z. boei 1.); Eng. buoy en Hgd. boje komen uit het Ndl.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

boei ‘drijvend baken’ -> Fries boei ‘drijvend baken’; Engels buoy ‘drijvend baken’; Duits Boje ‘drijvend baken’; Oost-Jiddisch boejes, bokes ‘drijvend baken, ankerboei’ <via Russisch>; Deens bøje ‘drijvend baken; reddingsboei’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors bøye ‘drijvend baken’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds boj ‘drijvend baken’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins poiju ‘drijvend baken’ <via Zweeds>; Ests poi ‘drijvend baken’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans bouée ‘reddingsboei; drijvend baken’; Italiaans boa ‘drijvend baken’; Portugees boya ‘drijvend baken’; Baskisch buia ‘drijvend baken’ <via Frans>; Tsjechisch bóje ‘drijvend baken’ <via Duits>; Pools boja ‘drijvend baken’ (uit Nederlands of Duits); Macedonisch boja ‘baken; bolder’ <via Duits>; Sloveens boja ‘drijvend baken’ <via Duits of Russisch>; Russisch buj ‘drijvend baken; ankerboei’; Russisch buëk ‘reddingsgordel van kurkhout; dobber’; Bulgaars buj ‘drijvend baken’ <via Russisch>; Oekraïens bujok ‘drijvend baken, ankerboei’ <via Russisch>; Lets boja ‘bepaald soort baken ter aanduiding van het vaarwater’ (uit Nederlands of Duits); Litouws buja ‘bepaald soort baken ter aanduiding van het vaarwater’; Hongaars bója ‘drijvend baken’ <via Duits>; Esperanto buo ‘drijvend baken’ <via Frans>; Indonesisch boya, bui ‘drijvend baken’; Boeginees búi ‘drijfton’; Makassaars bûi ‘drijfton’; Menadonees bui ‘scheepsboei’; Japans bui ‘baken’; Papiaments bui (ouder: boei) ‘drijvend baken’; Sranantongo bui ‘drijvend baken’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

boei drijvend baken 1599 [Kil.] <Frans

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

270. Een hoofd (een kop of een kleur) als een boei.

Onder een boei verstaat men een voorwerp dat, op het water drijvende en met een touw aan het in den grond liggende anker vastgemaakt, de plaats aanwijst waar dit ligt; soms een eenvoudig blok hout of een stuk kurk, soms in den vorm van een dubbelen afgeknotten kegel als een vat uit houten duigen samengekuipt (tonnenboei) of van plaatijzer vervaardigd (ijzeren boei). Daar de boeien langs de eene zijde van het vaarwater rood geverfd zijn, verstaat men derhalve onder bovenstaande uitdrukking een hoogroode kleur hebben. Zie Winschooten, 29: Hij heeft een kop als een boei, dat is, hij heeft een steeg groot hoofd; Com. Vet. 55: Hoofden als boeyen en hersenen als van een Garn-ael (ook in Bank. I, 126); en verder voor de hedendaagsche beteekenis het Ndl. Wdb. III, 84-85; Noord en Zuid VIII, 358; Harrebomée I, 66; Nest. 57: Ze was geheel confuus en had een kop als een boei. In het Stad-Friesch zegt men een hoofd (of kop) als een boeier; in het Friesch: in kop as in boei; in Groningen: 'n kop hebben as 'n slai (houten hamer; Molema, 380 a); bl. 527: 'n kop as 'n poaskeai (zie ook V. Moerk. 438)Hy siet als een Paes-ey, soo staet hy verpleckt (van een dronken boer gezegd).; een kop als een brul hebben (Goeree en Overflakkee2); bij Opprel, 50 a: zoo rood as en brul (stier?)N. Taalgids XIV, 254; Antw. Idiot. 307: Brul, eene koe, waar men geen kalf in krijgen kan, onvruchtbare koe.; vgl. Maastricht: een kop wie ene piepert, pijper, blazerN. Taalgids XIV, 296.; elders een kop als een bolle, en kop as en tuerhamer (Dr. Bl. 3, 45), en schatvat (Bergsma, 21); te Dieren: as 'n tuunhamer (een slei); N.-Brab.: een kop alsof hij de hel geblazen heeft. Vgl. ook zoo rood als een kreeft, een kroot, een koraal, een kers, een kalkoen, een kalkoensche haan, als bloed.N. Taalgids III, 5.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal