Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

boeg - (voorste deel van een scheepsromp)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

boeg zn. ‘voorste deel van een scheepsromp’
Mnl. boech ‘voorschenkel van dieren’ [1240; Bern.], ‘ronding of voorste deel van scheepsromp’ in de samenstelling boechline ‘boeglijn’ [1466; MNW]; vnnl. ‘voorste deel van scheepsromp’ [1599; Kil.].
Os. bōg ‘schouder’ (mnd. boch ‘schouder; boeg’); ohd. buog ‘schouderblad’ [ca. 800] (nhd. Bug ‘boeg; voorschenkel, schouderstuk van koeien of paarden’); nfri. boech ‘voorste deel van scheepsromp’ [1829; WFT]; ‘borstgedeelte van rund of paard’ [1935; WFT]; oe. bōg, bōh ‘schouder, arm, tak’ (ne. bough ‘(grote) tak’; bow ‘boeg’ is ontleend aan het Nederlands); on. bógr ‘voorschenkel, boeg’ (nzw. bog ‘schouder (van dieren)’; in de betekenis ‘boeg’ ontleend aan het Nederlands of Nederduits); < pgm. *bōgu- ‘arm’.
Verwant met Grieks pẽchus ‘elleboog’; Sanskrit bāhú- ‘arm’; Tochaars A poke; Tochaars B pokai; < pie. *bheh2ghu- ‘elleboog, onderarm’, waarvan het verdere etymologische verband onbekend is. Er is geen verband met → buigen.
Kiliaan vermeldt in 1599 boech, boecht, bocht ‘elk van beide zijden van het schip naar de voorsteven’; deze vormen duiden op verwarring met → bocht 1, of wellicht is dit bocht slechts een variant van boeg.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

boeg* [voorste deel van schip, gewricht bij paard] {boech [voorschenkel van dieren] 1201-1250; de betekenis ‘deel van schip’ 1599} oudhoogduits buog, oudsaksisch bōg [voorschenkel], oudengels bōg [schouder, arm, tak], oudnoors bōgr [voorschenkel, boeg], zweeds bog [schouder, boeg]; buiten het germ. grieks pèchus [elleboog], oudindisch bāhu- [arm].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

boeg znw. m., mnl. boech m. ‘scheepsboeg’, o. ‘voorschenkel van dieren’, os. bōg, ohd. buog m. ‘voorschenkel’, oe. bōg m., ‘schouder, arm, tak’ (ne. bow ‘scheepsboeg uit het nl. of nd. c. 1600 en bough ‘tak’), on. bōgr. m. ‘voorschenkel’. — oi. bāhú- ‘arm, voorpoot’, gr. pḗchus ‘elleboog, onderarm’, toch. AB poke ‘arm’. — Idg. grondvorm: *bhāghu- (IEW 108).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

boeg znw., mnl. boech(gh) m. “boeg van een schip”, o. “(voor)schenkel van dieren”. = ohd. buog m. “bovenste gewricht van arm of been, voorschenkel van dieren” (nhd. bug), os. bôg m. “armus”, ags. bôg m. “schouder, arm, tak” (eng. bough “tak”; bow “scheepsboeg” is ± 1600 uit ’t Ndl. of Ndd. ontleend), on. bôgr m. “voorschenkel”. Uit idg. *bhâĝhu- = gr. pẽkhus, pãkhus, “elleboog, onderarm”, oi. bâhú- “(onder)arm, voorpoot”. Voor een idg. woord van dgl. bet. zie arm I. De bet. “boeg van een schip” is secundair, maar in de jongere germ. talen algemeen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

boeg m.(van een schip), Mnl. boech (= schenkel), Os. bôg + Ohd. buog (Mhd. buoc, Nhd. bug), Ags. bóg (= arm, tak) (Eng. bough = tak, bow = boeg), On. bógr (= schouder) + Skr. bāhus (= arm, voor *bhāghus), Gr. pẽkhus (= elleboog, voor *phēchys); niet verwant met boog, buigen. - Zit ook in de samenstell. boegspriet, waaruit Fr. beaupré.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

boeg s.nw.
1. Voorste, geboë deel van 'n skip. 2. Knop by die skouerblad van 'n perd, ens. 3. Groot, wye bors van 'n perd, ens.
Uit Ndl. boeg (al Mnl.) 'voorskenkel van 'n dier'. Eerste optekening in Afr. in bet. 2 by Du Toit (1908).

Thematische woordenboeken

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Boeg. Iets voor den boeg hebben. Boeg, mnl. boech, oorspr. benaming voor een, of het geheel van linksch en rechtsch, schoudergewricht van een paard, daarna voor het voorste gebogen gedeelte aan weerskanten van den voorsteven van een schip, door vergelijking van de romp van een schip met die van een paard. In de oorspr. bet. komt ervan boeglam, stijf in de schoudergewrichten, in den lateren boegspriet, het rondhout, dat voor aan de voorsteven vooruitsteekt om er tuig, en zeilen mede en aan te bevestigen. De spreekwijze bovengen. beteekent eig.: als nog te doorloopen afstand van den boeg tot een doelpunt voor zich hebben; fig.: voor zich hebben, nog door te maken hebben. Boeg beschouwd als rechter of linker (voor)helft van het schip, gaf aanleiding tot de uitdrukking: het over een anderen boeg werpen, gooien, wenden, eig. de zeilen zoo veranderen, dat het schip over een andere zijde loopt, van koers veranderen, fig. een andere partij kiezen, het op een andere wijze beproeven, een anderen toon aanslaan, een anderen weg inslaan.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Boeg is niet van buigen gevormd: ’t bet. oorspr. schouder, maar de wortel is niet op te sporen, evenmin als van de meeste lichaamsdeelen. De boeg van een schip is dan het voorste deel, als bij een zwemmend mensch de schouder.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

boeg ‘voorsteven’ -> Engels bow ‘voorsteven’; Duits Bug ‘voorsteven’ (uit Nederlands of Nederduits); Deens bov ‘voorsteven’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors baug ‘voorsteven’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds bog ‘voorsteven’; Fins buuki ‘voorsteven’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

boeg* voorste deel van schip 1599 [Kil.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

268. Voor den boeg hebben.

Deze uitdr. wordt in eigenlijken zin gebruikt van den afstand tusschen den boeg, het voorste, gebogen gedeelte van een schip en een daarvóór gelegen punt. Figuurlijk ‘van de tijdruimte die men nog vóór zich heeft, de toekomst, of wel van iets minder aangenaams dat men nog moet volbrengen of doorstaan.’ De uitdr. is synoniem met voor de borst hebben. Zie het Ndl. Wdb. III, 69; 70 en 598 en vgl. het fri.: wy ha whet foar 'e stjûwn, wij hebben iets voor den steven (in het vooruitzicht); naast foar de boech habbe.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

bhāghú-s ‘Ellbogen und Unterarm’

Ai. bāhú-ḥ m. ‘Arm, bes. Unterarm; bei Tieren Vorderfuß’, av. bāzāu-š ‘Arm’, Gen. bāzvō (arm. bazuk aus dem Iran.);
gr. πῆχυς, äol.-dor. πᾶχυς ‘Ellbogen, Unterarm’, aisl. bōgr, Akk. PL bōgu ‘Arm, Schulter’, ags. bōg ‘Schulter, Arm; Zweig’, ahd. buog (nhd. Bug) ‘Schulter, Hüfte, Bug des Tieres’;
toch. А В poke, В pauke ‘Arm’.

WP. II 130.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal