Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

boe - (boe noch bah zeggen)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

boe* in de uitdrukking boe noch bah zeggen [geen woord zeggen] {ba of bu, ba no(ch) bu [ach, och Heer] 1285} klanknabootsend, vgl. middeleeuws latijn vinum sepe facit quod homo neque bu neque ba scit [de wijn maakt dat de mens van geen boe of bah weet].

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

boe 1 tuss., ablaut van ba (z.d.w.).

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

267. Boe noch ba zeggen

beduidt: geen enkel geluid geven, geen woord zeggen. De uitdrukking komt sedert de middeleeuwen voor; vgl. het mlat. vinum sepe facit, quod homo neque ‘bu’ neque ‘ba’ scit (Werner, 100); verder in het mnl. Parth. 6103: Ende ghi, Cursout, twine (waarom) sprecti niet? ghine segter toe no bu no ba. Ook zeide men bu noch bau, boe noch bau, ba no bu, ba noch bo (Mnl. Wdb. I, 507); eveneens bij Campen staat zij opgeteekend, bl. 59: Hy en weet noch bu noch bae; zie verder Tijdschr. XXI, 89; Brederoo, I, 64, 1714: Sy seyd gans boe noch ba, in 't alderminste niet; en voorts in alle bekende woordenboeken. Te vergelijken zijn nog de volgende synonieme uitdrukkingen: hij spreekt ei mij! noch wee mij! of noch ei! noch fij! (Harrebomée I, 24); kik noch mik (Fri. Wdb. II, 160; Waasch Idiot. 341); kikken noch mikken (Mnl. Wdb. III, 1426); wik noch wak, (h)ach noch wach zeggen; og noch mog zeggen (Spaen, 194); woei noch wa zeggen (Rutten, 280 b); hou noch ja (jou) zeggen (Waasch Idiot. 298); hond noch stront zeggen (Waasch Idiot. 636 b); het Vlaamsche noch o (of ho) noch bo antwoorden (De Bo, 155); babo noch bibo zeggen (Zeeuwsch-Vlaanderen), geen bof zeggen (Houben, 84) en de dial. duitsche uitdr. buff noch baff, bif noch baf zeggen (De Jager, Lat. Versch. 141), he seggt noch schöt noch dröt (Eckart, 444), dat in het fri. luidt hy seit skeet noch dreet. Vandaar ook de uitdr. zonder boe of ba (te zeggen), meest bij een vreemde, onverwachte handelwijze: zonder een enkel woord ter verklaring te zeggen; en verder bij uitbreiding van boe noch ba weten, niets weten, geene a voor eene b kennen, van hot noch haar weten (Ndl. Wdb. III, 51). In het Friesch en Groningsch is een boeba een stuursch, onvriendelijk mensch (Fri. Wdb. I, 207 en Molema 44 b); hd. weder buh noch bah sagen; eng. to say neither buff nor baff (verouderd).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal