Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

body - (lichaam; consistentie, pit)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

body zn. ‘lichaam; consistentie, pit’
Nnl. te heet an ze boddie (volkstaal) [1906; WNT Aanv.], body ‘lichaam’ [1912; WNT Aanv.].
Ontleend aan Engels body ‘lichaam; substantie, degelijkheid’, Oudengels bodig ‘omhulsel, lichaam’, van onzekere verdere herkomst, met als enige Germaanse, zij het fonetisch twijfelachtige cognaat Oudhoogduits botah ‘lichaam’. Er wordt wel gedacht aan een gemeenschappelijke ontlening, waarbij woorden worden genoemd als Oudhoogduits botega ‘groot vat’ (ontwikkeld tot Duits Bottich ‘groot houten vat’), en middeleeuws Latijn apotheca ‘voorraadkamer, wijnkelder’, zie → apotheek.
bodywarmer zn. ‘mouwloze jas’. Nnl. bodywarmer [1986; Coster 1999]. Ontleend aan Engels bodywarmer ‘id.’.

EWN: body zn. 'lichaam; consistentie, pit' (1906)
ANTEDATERING:... hadden hun "body" zeker te lief [1872; Leidsch dagblad (Ld) 14/2]
EWN: ♦ bodywarmer zn. 'mouwloze jas' (1986)
ANTEDATERING: bodywarmer 'ondergoed voor de romp' [1976; Frisia (Lw) 28/10]
Later: bodywarmers (jack zonder mouwen) [1979; Leidse courant (Ld) 26/9] (EWN: 1986)
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

body [lichaam] {1901-1925} < engels body < oudengels bodig; etymologie onzeker.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

bo’dy (de, -’s), (uitspr. E: bod’die), (ook:) carrosserie van auto. De wagen schoot vooruit, de body was half verroest, maar de motor was in prima conditie (Rappa 1980: 11). - Etym.: E. - Syn.: autobody*.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

body (Engels body)

L. Koenen, R. Smits (1992), Peptalk, De Engelse woordenschat van het Nederlands

body [bodie] 1. lichaam; 2. stevigheid, inhoud, soliditeit: ‘dat voorstel heeft te weing body’.

Dateringen of neologismen

F. Bakker, E. van Ruijsendaal, P. Uljé, D. van Zijderveld, Vindpunt.nl – elektronisch doorzoekbare Woordenlijst Overbodig Engels met Nederlandse tegenhangers, uitgebreide en verbeterde voortzetting van de boekuitgaven Funshoppen in het Nederlands (2009) en Op-en-Top Nederlands (2015)

body zn. Ontleend aan het Engels.
[alg.] = lichaam. Zo’n beetje alle Hollywoodsterren blijken ook nog een goddelijk lichaam te hebben.
= (industrieel) vormgever, (industrieel) ontwerper.

body hebben uitdr. Ontleend aan het Engels.
= stevig zijn, krachtig zijn.

body- samenst. Ontleend aan het Engels.
= lijf(s)-, lichaams-.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

body lichaam 1897 [Klöters, Bij ons in de Jordaan 23] <Engels

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal