Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

blok - (groot stuk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

blok zn. ‘groot stuk’
Mnl. als familienaam in Willelmi Bloc (voor iemand met grove lichaamsbouw) [1242; Debrabandere 1993], bloc ‘balk, stuk hout’ [1286; CG I, 1114], bloc ‘balk waarin men misdadigers vastketende’ [1276-1300; CG II, Kerst.], bloc ‘omheinde akker’ [1299; CG I, 2563].
In de vorm blok lijken twee vormen samengekomen. De eerste is mnl. beloke ‘omheining, park, omheind of afgeperkt gebied’ [1290; CG I, 1469], zie ook → beloken. Daarnaast staan de vormen met dubbele -k- die horen bij de woordgroep van → balk.
Ohd. biloh, bloh < pgm. *bi-lūkan- ‘omsluiten’; daarnaast mnd. block ‘blok, klomp’; mhd. bloch (nhd. Block); ofri. bloc(k) (nfri. blok); < pgm. *blukna- ‘balk, blok’.
Ontleend aan het Nederlands zijn Frans bloc en van daaruit Engels block.

EWN: blok zn. 'groot stuk' (1242)
ANTEDATERING: Onl. als familienaam in Gozuinus et Walterus Bloc ‘Gozewijn en Wouter (de) Blok’ [1176-1200; ONW]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

blok* [regelmatig gevormd stuk van iets] {in de familienaam Willelmus Bloc 1242, bloc [blok, balk, een omheinde akker] 1285} middelnederduits block, middelhoogduits bloch, oudfries blok; buiten het germ. oudiers blog [stuk van iets]. De uitdrukking een blok aan het been hebben [een moeilijk leven hebben] slaat oorspr. op bv. paarden die men op deze manier verhinderde weg te lopen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

blok znw. o., mnl. bloc o. en m. ‘voetblok voor misdadigers, balk, klomp, omheinde akker’, mnd. block, mhd. bloch, ofri. blok. — > fra. bloc (sedert 13de eeuw, M. Valkhoff 63).

Waarschijnlijk zal men hier twee woorden moeten onderscheiden. 1. in de zin van iets, dat omsluit (omheinde akker) zal het ontstaan zijn uit *bi-lōke gevormd van *bi-lūkan ‘omsluiten’, (vgl. de Vlaamse plaatsnaam Biloke); dit is dan een samenstelling van luiken. — 2. Voor stuk hout kan men vergelijken oiers blog ‘stuk, fragment’; dan moet men teruggaan op een grondvorm *bhlugno, die dan verder te verbinden is met balk.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

blok znw.o., mnl. bloc o. en m. (Zuidndl. nog m.) “blok om de voeten van misdadigers in te sluiten, balk, kist, klomp, omheinde akker”. = mhd. bloch o. (oudnhd. bloch; nu block m., wsch. uit ’t Ndd.), mnd. block m.o. in dergel. bett., ofri. blok o. “blok om de voeten in te sluiten”. Er is geen bezwaar om van de bet. “insluiting, voorwerp dat insluit” uit te gaan en identiteit met ohd. biloh, bloh o. “afsluiting” aan te nemen, dat bij wgerm. “bi-lûkan “omsluiten” (zie luiken) hoort. De oorspr. flexie was dan mnl. bloc, blōkes. Deze komt mnl. (vooral noordndl.) nog naast block- voor. Vgl. ook mnl. oudnnl. blōken “(een lijk) kisten”. Voor bl- vgl. b1ijven. Anderen gaan van een grondbet. “blok, klomp, balk” uit en nemen ablaut met balk aan. Fr. bloc komt uit het Germ., uit ’t Fr. weer meng. blok, eng. block “blok”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

blok. Fr. bloc zal wel uit het Ndl. komen: Valkhoff Mots français d’or. néerl. 63v.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

blok 2 o. (afsluiting, kist, strafwerktuig), Mnl. bloc, ook belok + Ohd. biloh: van beluiken. Niet altijd van blok 1 te onderscheiden.

blok 1 o. (stuk hout, klomp), Mnl. id. + Ohd. bloh (Mhd. bloch,, Nhd. block), Eng. block, vertoont den zw. graad van den wortel waarvan de middelgraad in Skand. bjalke en de st. graad in ons balk voorkomt; ging in ’t Rom. over: Fr. bloc.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1blok s.nw.
Gebied tussen die strate in 'n stad, dorp of woongebied, of lengte van sodanige gebied.
Uit Amer.Eng. block (1796).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

blok (het, -ken), blokje (het, -s), (i.h.b.:) bouillonblokje. De smaak afmaken met zout of een blokje en nootmuskaat of andere specerij naar eigen smaak (S&S 110).
— : blok vlees, groot stuk vlees. - Etym.: Gedacht kan worden aan AN blok, d.i. een min of meer regelmatig gevormd stuk, ook aan AN brok, waarbij de r vervangen is door een l.
— : blok zeep, stuk zeep. Met blok zeep. Ouderwetse zwoegerij (Cairo 1979b: 53). - Zie ook: blokzeep*.

blok-: geeft als eerste deel van een samengest. stofnaam aan, dat de betreffende stof de vorm van een blok of van blokken heeft. Zie blokaluminium*, blokzeep*. Bij Barron (DWT 10-7-1982) ook blokgoud. - Zie ook: poeder-*.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

blok ‘baanvak’ (Engels block); (slapen als een --) (vert. van Engels to sleep like a log)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

blok ‘regelmatig gevormd stuk van iets; (Surinaams-Nederlands) bouillonblokje’ -> Engels block ‘massief stuk hout; omvangrijke hoeveelheid van iets’ <via Frans>; Duits dialect Block ‘stuk akkerland’; Oost-Jiddisch blokn ‘katrol’ <via Russisch>; Deens blok ‘regelmatig gevormd stuk van iets; katrol’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors blokk ‘regelmatig gevormd stuk van iets’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds block ‘regelmatig gevormd stuk van iets; katrol; schrijfblok’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins (p)lokki ‘katrol’ <via Zweeds>; Ests plokk ‘katrol’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans bloc ‘solide massa die een eenheid vormt’; Italiaans blocco ‘regelmatig gevormd stuk van iets; (handel) hoop, massa’ <via Frans>; Spaans bloque ‘regelmatig gevormd stuk van iets; groepering, factie’ <via Frans>; Portugees bloco ‘regelmatig gevormd stuk van iets; blocnote; huizenblok; groep pretmakers, brassers’ <via Frans>; Bretons blok, bloc'h ‘regelmatig gevormd stuk van iets’ <via Frans>; Pools blok ‘geheel, eenheid, massa’; Russisch blok ‘hefblok voor vrachten; (boeventaal) martelwerktuig bij lynchen, waarbij enkels en polsen worden gebonden’; Oekraïens blok ‘hefblok voor vrachten’ <via Russisch>; Wit-Russisch blok ‘hefboom voor vrachten’ <via Russisch>; Azeri blok ‘regelmatig gevormd stuk van iets’ <via Russisch>; Litouws blokas ‘stuk massief bouwmateriaal’ (uit Nederlands of Duits); Grieks mplok /blok/ ‘stuk hout, steen; groep huizen; groep samenwerkende partijen’ <via Frans>; Maltees blokk ‘gebouwencomplex’ <via Amerikaans-Engels>; Esperanto bloko ‘zwaar, massief stuk hard materiaal’ <via Frans>; Turks blok ‘gebouwencomplex’ <via Amerikaans-Engels>; Koerdisch blok ‘solide massa die een eenheid vormt; huizenblok’ <via Frans>; Indonesisch belok ‘blokhout; katrol; cellenblok’; Indonesisch blok ‘groepering, factie; huizenblok; rol (materiaal); stuk hout’; Ambons-Maleis blok ‘blokhout’; Atjehnees blō' ‘strafwerktuig’; Atjehnees bòlòkò, blòkò, pòlòkò ‘blokhuis, wachthuis’; Jakartaans-Maleis balok ‘regelmatig gevormd stuk van iets; baal’; Jakartaans-Maleis blok, belok ‘huizenblok’; Javaans blog, enblog, geblog ‘regelmatig gevormd stuk van iets; baal katoen’; Keiëes belok ‘hijsblok, katrol’; Kupang-Maleis blok ‘blokhout’; Madoerees ēbblok, balo' ‘geografische indeling’; Madoerees bēllo' ‘voetboei’; Makassaars bolố ‘hijsblok’; Menadonees blok ‘blokhout’; Ternataans-Maleis blok ‘blokhout’; Amerikaans-Engels block ‘gebouwencomplex, stadsdeel’; Berbice-Nederlands bloko ‘vijzel, stampblok’; Papiaments blòki (ouder: blokki) ‘regelmatig gevormd stuk van iets’; Surinaams-Javaans blog ‘regelmatig gevormd stuk van iets; bouillonblokje’.

N. van der Sijs (2009), Yankees, cookies en dollars, Amsterdam

Amerikaans-Engels block, aan elkaar gebouwde groep huizen of andere gebouwen (Craigie, DARE, Webster).
- Waarschijnlijk van Nederlands blok, vroeger gespeld als block; overgenomen in de zeventiende of achttiende eeuw en nog algemeen in gebruik.
* Dankzij de in 1984 opgerichte boyband ‘New Kids on the Block’ kent de hele wereld de Amerikaanse uitdrukking new kid on the block ‘een nieuwkomer’. En ook de benaming blockbuster voor een toneelstuk of film die enorm veel publiek trekt, is door vele andere talen overgenomen. De samenstelling blockbuster dateert overigens uit de Tweede Wereldoorlog en had toen een veel onaangenamere betekenis; er werd namelijk ‘een bom die een heel huizenblok kon vernietigen’ mee aangeduid.
In new kid on the block en blockbuster zit het woord block in de betekenis ‘aaneengesloten huizenblok’. Blok of block is een woord dat in diverse talen voorkomt met de algemene betekenis ‘massief stuk hout’. Het woord is ontstaan in het Nederlands. Het Nederlandse blok is onder andere overgenomen door het Frans, waarna het Brits-Engels het woord al in de veertiende eeuw uit het Frans geleend heeft. Zowel de Engelsen als de Nederlanders namen het woord block mee naar het nieuwe continent Amerika. In de zeventiende eeuw kreeg het woord block in het Nederlands een nieuwe betekenis, namelijk die van ‘een aantal aaneengebouwde huizen’. Deze betekenis werd onder andere gebruikt door de beroemde wiskundige Simon Stevin. DARE vermoedt dat het Amerikaans-Engels deze betekenis heeft overgenomen uit het Nederlands, en dat zal dan al in de zeventiende of achttiende eeuw zijn gebeurd. Wat de Nederlanders een blok huizen, huizenblok of woonblok noemen, heet in het Amerikaans-Engels block of buildings en block of houses.
In het Nederlands kan blok alleen gebruikt worden voor een groep van meerdere huizen. In het Amerikaans-Engels is de betekenis van het woord uitgebreid: het kan ook gebruikt worden voor een groot alleenstaand gebouw en, volgens DARE voornamelijk in New England, voor een appartementengebouw.
1796 A fire broke out ... and raged with such fury as to baffle all human exertion, till it had laid in ashes the whole block of buildings.
1801 The buildings [in Washington] are brick, and erected in what are called large blocks, that is, from two to five or six houses joined together, and appear like one long building.
1881 In the case of Milwaukee ... solid blocks of houses flush with the sidewalk are
very few.
1967 Block houses - a row of houses that fill the block. (DARE)

Dateringen of neologismen

R. Schutz (2007), Brekend nieuws, Nijmegen

een paar blokken weg. Letterlijke vertaling van Engels a few blocks away = een paar straten verder; Bij het zoeken naar een eet- en drinklokaal loont het om een paar blokken weg te wandelen van de straten en pleinen waar toeristen samenklonteren. (2002); Wat ze aangezien had voor een toren was in werkelijkheid een nieuwe wolkenkrabber slechts een paar blokken weg van waar ze vroeger woonde; ”Ik doe het wel”, zei Jaime, “ik ga wel lopen, het is maar twee blokken weg.”

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

blok* regelmatig gevormd stuk van iets 1242 [Claes Tw. 9]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

261. Een blok aan het been hebben,

d.w.z. niet vrij zijn in zijne handelingen; getrouwd zijn. In de 16de eeuw komt de uitdr. in den tegenwoordigen zin voor; zie Visscher, Brabb. 37; Smetius, 85: Het is goet kinderen vroech houwelicken, een blok aent been werpen, opdatse sorgen ende sitten leeren te weeten, dieghene die wat lichtverdig ende sonder sorge zijn; V. Moerk. 484:

 Neen, bylô, geen block aen 't been, die plaegen most ick schouwen.
 Ja, voor een nachje of twee wou ik wil eens trouwen;
 Maer niet voor eeuwighlijck geef ick my tot dat werck.

Carel v. Mander:

 Wech lichte schoenen, niet meer men reyster,
 Men wort al haest geblockt vast aen de vreyster.Zie Jacobsen, Carel van Mander, dichter en prozaschrijver, bl. 133.

Bij Van Effen, Spect. VIII, 15: Zich een blok aan het been hechten (trouwen); bij Sewel 125: De jeugd heeft een blok aan het been noodig om haar wuftheid te bedwingen; een blok aan 't been hebben, to be married, to have a wife. Vgl. Ruelens I, 55: Al is een vrouwe noch soo ryck van goeye sy crijcht haest een boeye aen haer beene, ist dat sy trout. Tuinman I, 160 vat het in ruimeren zin op, nl. ‘ergens aan verbonden zijn, waardoor men belemmerd is’, en denkt aan de paarden, wien men aan een der voorpooten een blok, een kluister vastbindt, waardoor zij belet worden ‘uit de weide te springen’,Vgl. Halma, 80: Blok dat de gevangenen en de paarden aan het been hebben om niet door te gaen. Entrave; Ten Doornk. Koolm. I, 190 a: Blokken, einen Block an den Fuss legen um das Durgehen zu verhindern. een verklaring die steun vindt in het fri.: in bongelZie Ndl. Wdb. II, 1797; III, 1892. oan 'e foet habbe; in het Gron. 'n bongel an 't bijn hebben (Molema 50; 506) en 't Overijs. 'n bungel an 't bien, een lastpost (Draaijer, 7); Borchardt, 1123: he hett 'n Büngel an 't Been, d.h. er ist gehindert wie ein gebengelter Hund (Eckart, 67); nd. enen Block an 't Bên hebben, verheiratet sein (Eckart, 55). Vgl. nog Teirlinck, 108: Den blok an 't been hebben, zwanger gaan (zie ook De Cock2, 169 en Ndl. Wdb. II, 1607); Waasch Idiot. 125: Met den blok aan 't been zitten, in slechten, niet te veranderen toestand zijn; Gunnink, 113: een bongel an bien, getrouwd V. Schothorst, 113: een bongel an 't bien, een onecht kind. In de gedichten van Anna Bijns, Nieuwe Refr. 36 a worden de vrouwen tegen het huwelijk gewaarschuwd, daar zij anders ‘eenen worpriemKiliaen: Worpriem, pugillare ligamen: ligaculum quo accipiter in pugno aucupis tenetur, een dunne riem om de poot van een valk op de vogeljacht, ook een werpelinc genoemd. aen haer beenen’ krijgen.

1189. Met de klompen op het ijs of in 't gelag komen,

d.w.z. onvoorzichtig handelen, niet goed beslagen ten ijs komen, zich wagen op een terrein, waar men niet thuis hoort; zich op domme wijze verpraten. Ook in Groningen: men mout nijt mit de klompen op 't ies komen (Taalg. V, 161); volgens Joos, 101, eveneens in Vlaanderen: met zijn blokken op 't ijs komen. De zegsw. komt in de 18de eeuw voor in W. Leevend I, 2; Br. v. Abr. Bl. II, 53 en Janus, 140: Blijf jij met je klompen van 't ijs; Harreb. I, 359, In het Oostfri. kent men mit klumpen in 't gelag komen in den zin van: met de deur in huis vallen; anderen in de rede vallen (Ten Doornk. Koolm. II, 286 a; Dirksen I, 52), dat ook bij ons niet onbekend is doch in anderen zin, waarvoor men vroeger zeide ergens zijn knoet in slaan (Halma); evenzoo in 't Gron. en Friesch in den zin van: door een toeval of uit onvoorzichtigheid in verlegenheid geraken, en deswege bespot worden (Molema, 206 b). In 't Friesch: hy komt mei de klompen yn 't spul, zegt plomp zijn meening, dat syn. is van met de klompen in 't gelag komen of loopen; zie Handelsblad, 14 Maart 1920, p. 1 k. 1; Nkr. VI, 15 Juni p. 4: En Kuyper in ‘De Standaard’ loopt ook maar met de klompen in 't gelag.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal