Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

blinken - (glanzen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

blinken ww. ‘glanzen’
Mnl. blenken, blinken, bijv. in sijn hovet ende sijn haer waren blenkende alse witte wolle ende als die snee ‘zijn hoofd en haar waren blinkend (wit) als witte wol en als sneeuw’ [1399; MNW-P], blincken als die sonne [1399; MNW-P].
De vormen met blenk- zijn te verklaren als umlautafleidingen van → blank, waarin vervolgens de -e- een -i- werd voor de gedekte nasaal, met blink- als resultaat. Ook is wel afleiding van blinken uit pgm. *blikan- gesuggereerd, zie → bleek 1.
Mnd. blenken, blinken; laat-mhd. blinken (nhd. blinken ‘blinken, knipperen’); nfri. blinke; me. blenken (laat-me. blinken; ne. blink ‘knipperen’); daarnaast mhd. blinze(l)n, nhd. blinze(l)n ‘knipogen’.

EWN: blinken ww. 'glanzen' (1399)
ANTEDATERING: wel blinckende 'mooi glanzende' [1351; MNW-P]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

blinken* [stralen] {blenken, blinken 1461} middelnederduits blenken, vermoedelijk afgeleid van blank1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

blinken ww., mnl. blinken (zw. ww.) naast blenken, mnd. blinken, blenken, laat-mhd. blinken, me. blinken; het woord treedt in de idg. talen eerst betrekkelijk laat op. De formatie dezer woorden is niet dezelfde. In nl. en nd. mag men aannemen een afleiding van blank (met e > i voor nasaalverb. evenals in verminken), terwijl men de andere westgerm. ww. als nasaalinfigering van *blīkan (zie: blijken) kan opvatten. Opmerkelijk is dat nnl. blinken een sterk ww. is, wat de bovengenoemde afl. onzeker maakt.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

blinken ww., mnl. blinken (zwak), gew. blenken, Teuth. blenken. = mnd. blenken (nog westf. blenken) “blinken”. Wsch. een afl. van blank. De ndl. i is dan oorspr. dialectisch resp. onder invloed van blicken (zie blik I) ontstaan: vgl. nog met bliŋk-: nhd. (oorspr. md.) blinken “blinken, knipoogen”, bei. blinkezen, mhd. (nhd.) blinze(l)n “knipoogen” (dat ook bij blind wordt gebracht), eng. to blink “met de oogleden, oogen bewegen” (maar meng. blenken “id.”) Dit bliŋk- zal wel jong en “einzelsprachlich” zijn. Een opvallende anlaut-variant is mnd. nnd. plinken “knipoogen”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

blinken. Naast mnd. blenken komt blinken voor, dat evenals mnl. blinken i < e vóór nasaalverbinding zal hebben. Vgl. nog verminken (s.v. mank).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

blinken ono.w., Mnl. blinken + Nhd. blinken, Eng. to blink: is een nasaleering of van den wortel van blijken, of van dien van blaken.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Blink bnw. en ww. Segsw.: Bo blink, onder stink of buite blink dit, binne stink dit. Nie algemeen bekend nie. – Corn. en Vervl. 1610: “Van boven blinken, van onder stinken, op kaalaards.” Het is van bovene blink en van ondere stink – eie waarneming.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Blaken van den vermoedelijken Idg. wt. bhleg = schitteren (van vuur, licht); Germ. blek. Blaak was vroeger dan ook vlam, licht, gloed; vgl.: „Ontelbaar als de blaken (= lichten) aan des hemels firmament.” Frequ. blakeren. Verwant is: bliksem, oudtijds blaexem = blaaksem; ook blinken en blijken (= licht, duidelijk, helder zijn). Zie ook Blik.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

blinken ‘stralen’ -> Engels blink ‘twinkelen, schitteren; met de ogen knipperen’; Duits blinken ‘glanzen, glimmen’ (uit Nederlands of Nederduits); Deens blinke ‘fonkelen; met de ogen knipperen, knipogen’ (uit Nederlands of (Neder- of Hoog-)Duits); Noors blinke ‘knipperen, fonkelen’ (uit Nederlands of Nederduits);? Zweeds blinka ‘met de ogen knipperen’ (uit Nederlands of Duits); Zweeds blänka ‘schitteren, glinsteren’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans dialect blinquer ‘glimmen’; Esperanto blinko ‘knipperlicht’ <via Engels>; Negerhollands blink, blin ‘stralen, glanzen’; Berbice-Nederlands blinggi ‘stralen’; Sranantongo brenki ‘glimmen; poetsen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

blinken* stralen 1461 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

719. Het is al geen goud wat er blinkt,

d.w.z. niet al wat schoon voor oogen is, is ook innerlijk degelijk; schijn bedriegt; Harreb. I, 253 b. In de middeleeuwen: Ten is niet al gout, dat daer blinckt; Goedthals, 68: Ten is niet al gout, dat daer blinckt, tout ce qui reluist, n'est pas or; Prov. Comm. 623: Ten is niet al gout dat daer blinct, auri natura non sunt splendentia plura; Spieghel, 267; Paffenr. 96; Idinau, 81:

T'en is niet al goudt, dat schoone blinckt,
Dat blijckt aen ratel-goudt, coper, latoen:
So rieckt hy alder-meest, die alder-vuylst stinckt,
En deckt veel quaedts, onder 't schijn van wel-doen.
Wijse nochtans altijdts het beste be-moen.

Zie ook Tuinman I, 106; Joos, 148; 't Daghet XII, 144: 't Is niet al goud dat blinkt en ook niet al strond dat stinkt. Dat het spreekw. in zeer vele talen bekend is, bewijst Wander I, 1789 met tal van voorbeelden. In andere uitdrukkingen en zegswijzen wordt goud als het edelste der metalen genomen als maatstaf van betrouwbaarheid, degelijkheid en deugd. Vandaar: een hart als goud (of van goud, fr. un coeur d'or); zoo eerlijk als goud; zoo trouw als goud (in de Gew. Weuw. III, 5); spreken als goud (gulden woorden spreken); zeker als goud (Kl. Brab.; Waasch Idiot. 263 b). Vgl. fr. tout ce qui reluit n'est pas or; hd. es ist nicht alles Gold was glänzt; nicht jeder Stein ist ein Edelstein; eng. all is not gold that glitters; mlat. es quodcumque rubet, non credas protinus auram; non est aurum omne quod radiat (Werner, 3).

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

bheleg- ‘glänzen’, Erw. von bhel- ds.

bhelg-: ai. bhárgas- n. ‘strahlender Glanz’ (*bhelgos); Bhŕ̥gavaḥ, Pl. ‘mythische Priester des Blitzfeuers’; lett. bal̃gans ‘weißlich’; vielleicht hierher aksl. blagъ ‘gut’, russ. (alt und mtdarl.) bólogo Adv. ‘gut’, eig. ‘licht’ (Gegensatz ‘dunkel’: ‘böse’); toch. AB pälk- ‘brennen, leuchten, sich erhitzen’, A pälk, В pilko ‘Blick’, A polkāṃts ‘Gestirn’ (: lit. bãlgans), В empalkaitte ‘nachlässig’ (Negation + *palk- ‘leuchten’ neben pälk-);
bhleg-: gr. φλέγω ‘brenne, senge, zünde an’, φλεγέθω ‘senge, setze in Brand; intr. brenne, stehe in Flammen’, φλέγμα n. ‘Brand; Entzündung; Schleim’, φλεγμονή f. ‘Entzündung; Leidenschaft; Brunst’, φλεγύας· ἀετός ξανθός Hes. (Adj. ‘feurig rot’) φλόξ, φλογμός ‘Flamme’;
lat. flagrō, -āre ‘flammen, lodern, brennen’, wozu wohl flamma ‘Flamme’ als *flagmā, osk. Flagiuí etwa ‘Fulgurātōrī’; neben flăg- (red.-stufiges *bhlegró-, *bhlegmā́ oder wegen φλογμός, φλόξ eher *bhlogmā) steht schwundstufiges bhl̥g-, lat. fulg- in lat. fulgō und fulgeō, -ēre, fulsī ‘blitzen, schimmern, leuchten’, fulgor, -ōris ‘das Blitzen, Schimmer, Glanz’, fulgus, -uris ‘Blitz, Schimmer’, fulmen (*fulgmen) ds.;
mir. imblissiu ‘Augenstern’ (*m̥bhi-bhl̥g-s-, Vendryes RC. 40, 431 f);
ahd. blecchen (*blakjan), mhd. blecken ‘sichtbar werden, sehen lassen’, nhd. blecken ‘die Zähne zeigen’; ahd. blecchazzen, mhd. blecken ‘blitzen’, mndl. nndl. blaken ‘flammen, glühen’, ags. blæcern, blacern ‘Leuchter’, aisl. blakra ‘blinken’; hierher wohl als ‘angebrannt (vgl. nd. blaken von rußender Lampenflamme), angerußt’, ags. blæc ‘schwarz’, n. ‘Tinte’, ahd. blah ds.; nasaliertes germ. *blenk-, *blank- in mhd. nhd. blinken, mhd. blinzen (*blinkatjan), nhd. blinzeln (daneben mit germ. g älter dän. blinge ‘blinken’ u. dgl., s. Falk-Torp u. blingse); ahd. blanch, mhd. blank ‘blinkend, glänzend, weiß’, nhd. blank, ags. blanca m. ‘Roß’ (eig. von heller Farbe, vgl.:) aisl. blakkr ‘fahl’, poet. ‘Roß’ (‘Falbe, Schimmel’), aschwed. blakker ‘fahl, falb’, aber auch ‘schwarz, dunkel’ (aus dem Germ. entlehnt frz. blanc, ital. bianco). Von dieser Nasalform auch pr. blingis ‘Bleihe’;
lit. blágnytis ‘sich ausnüchtern; sich aufhellen’, alit. blinginti ‘glänzen’.
Eine Variante auf -g̑- vielleicht in lett. blãzt ‘schimmern’, blãzma (blāg̑-ma) ‘Widerschein am Himmel’.

WP II 214 f., WH. I 510 f. 865, Pedersen Toch. 162, 218, Van Windekens Lexique 17, 98, EM. 398.Neben bheleg- steht gleichbedeutendes bhereg̑-, s. dort.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal