Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

blijven - (voortgaan te zijn, volharden)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

blijven ww. ‘voortgaan te zijn, volharden’
Onl. bleif (pret.) ‘ik bleef’ [10e eeuw; W.Ps]; mnl. bliuen ‘blijven’ [1240; Bern.], Ende menich bleef an elke side ‘en menigeen stierf aan beide zijden’ [1285; CG II, Rijmb.], aldus bleef absalon dod ‘zo ging Absalom dood’ [1285; CG II, Rijmb.], Ende zijn sone ezechias Bleef na hem coninc ‘en zijn zoon Ezechias werd koning na hem’ [1285; CG II, Rijmb.], hi bliuet al stom ter stont ‘hij werd onmiddellijk stom’ [1287; CG II, Nat.Bl.D].
Afleiding met → be- van een werkwoord *lijven, dat in het Nederlands niet meer geattesteerd is.
Os. bilīƀan (mnd. bliven); ohd. bilīban (nhd. bleiben); ofri. bilīva, blīva (nfri. bliuwe); oe. belīfan (me. biliven); got. bileiban, alle op dezelfde manier gevormd bij het sterke werkwoord pgm. *līban- ‘(over)blijven’. Hiernaast staan causatieven als: mnl. bleiven ‘overlaten’; os. lēƀian; ohd. leiben; ofri. lēva; oe. lǣfan (ne. leave); on. leifa; got. bilaibjan; bij de ablautsvorm pgm. *laib-jan-.
Pgm. *līban- is verwant met: Grieks lípos ‘vet’; Sanskrit lepayati ‘besmeren’, limpáti ‘hij besmeert’; Oudkerkslavisch pri-lěpiti ‘kleven’ (Tsjechisch lepit ‘id.’); Tochaars lip ‘blijven’; bij de wortel pie. *leip-/*lip-.
Men moet in het Germaans een betekenisontwikkeling aannemen van ‘vet zijn’ via ‘plakken, kleven’ naar ‘blijven’. De betekenis ‘overblijven’ van pgm. *līban- is nog te vinden in de telwoorden → elf en → twaalf.
Blijven had in het Middelnederlands ook de betekenis ‘sterven’, die nog bewaard is in de uitdrukking ergens in blijven. Het werd ook gebruikt als koppelwerkwoord met de betekenis ‘worden’; het kwam regelmatig voor in de combinatie dood bliven, de enige combinatie die in het Nieuwnederlands nog bestaat.
In de 14e en 15e eeuw hebben de Noord-Germaanse talen bliven overgenomen uit het Middelnederduits. Het ontwikkelde er zich in de betekenis ‘worden’ achtereenvolgens tot koppelwerkwoord en tot hulpwerkwoord van de lijdende vorm. Zweeds bli(va), Deens blive en Noors bli zijn als zodanig nog steeds productief.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

blijven* [voortgaan te bestaan] {oudnederlands blivan 901-1000, middelnederlands bliven} oudsaksisch biliƀan, oudhoogduits biliban, oudfries biliva, oudengels belifan, gotisch bileiban; buiten het germ. grieks lipaō [ik ben vet], lipareō [ik volhard, blijf bij (eig.: ben kleverig)], litouws limpu [ik blijf vastzitten], oudindisch limpati [hij smeert in]; de betekenis ontwikkelde zich van ‘vet zijn’ via ‘plakken’ naar ‘blijven’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

blijven ww., mnl. blîven (naast zelden be-līven), onfrank. blīvan, os. bilīƀan, ohd. bilīban, ofri. bilīva, oe. belīfan, got. bileiban ‘blijven’. — Daarnaast staat het causativum mnl. bleiven ‘eten overlaten’ (nog wvla. bleven), os. lēƀian, ohd. leiben, ofri. leva, oe. lœfan (ne. leave), on. leifa, got. bilaibjan ‘overlaten’. — oi. lepayati ‘besmeren’, osl. prilěpiti ‘vastkleven’, toch. lep ‘blijven’, verder nog lat. lippus ‘met druipende ogen’, gr. lípos ‘vet’. De oorspr. bet. zal zijn ‘met vet besmeren’ (IEW 670). Voor verdere verwanten zie onder: leem.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

blijven ww., mnl. blîven, zelden nog be-lîven. = onfr. blîvan, ohd. bilîban (nhd. bleiben), os. bilîƀan, ofri. bilîva, ags. belîfan, got. bileiban “blijven”. De. blive, zw. bliva uit mnd. blîven. De de.-zw. bet. “worden” heeft zich na de ontl. ontwikkeld. Een causativum hierbij is: mnl. bleiven (nog wvla. blêven) “eten overlaten”, ohd. leiben, os. lêƀian, ofri. lêva, ags. læ̂fan (eng. to leave), on. leifa, got. bi-laibjan “achter-, overlaten”. Evenals leven, lijf van een germ. basis liƀ-, laiƀ-, liƀ-. De bet. “blijven” ontwikkelde zich uit “zich vasthechten < kleven”. Vgl. voor de bet. beklijven. Van den idg. wortel lip- ”kleven, besmeren”, waarvan ook lat. lippus “druipoogig”, gr. lípos o.znw. “vet”, aleíphō “ik zalf’ (met secundaire ph), obg. pri-lĭpěti, pri-lĭpnąti “kleven, zich vasthechten”, met het caus. pri-lěpiti (formeel = germ. *laiƀianan), lit. limpù, lìpti “kleven”, oi. limpáti “hij besmeert”. Idg. lip- zou een verlenging van li- (zie leem) kunnen zijn.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

blijven ono.w., Mnl. bliven, Onfra. blîvan, Os. bilîƀan + Ohd. bilîban (Mhd. blîben, Nhd. bleiben), Ags. belífan, Ofri. bílíva, Go. bileiban: uit praefix be en een werkw. *lijven, waarvan Ags. lǽfen (Eng. to leave) = achterlaten en Ndl. lijf en leven. Zw. blifva, De. blive uit Ndd.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

blieve (ww.) blijven; Aajdnederlands blivan <901-1000>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

blijven (bij, met) (bleef, is gebleven), (ook:) 1. verblijven, wonen (bij). Als m’n man me wegjaagt, dan groet ik hem mooi dag. Dan ga ik weg (). Zonder man kan ik ook blijven (Doelwijt 1971: 15). Ik blijf niet met mijn ouders, ik blijf met mijn tante (Doelwijt 1971: 30). - 2. logeren (bij). Je bent lang niet bij tante Juwanna geweest, zei mijn tante. Wil je niet met vakantie daar gaan blijven? (Vianen 1972: 110). - Etym.: Beide bet. komen verregaand overeen met die van S tan en E to stay. - Opm.: Voor 2 ook blijven* met baden* en slapen.
— : blijf goed, blijf wel, het beste (als wens, tevens groet bij vertrek). Hij nam het eten aan en bedankte. Ze liep al weg. ‘Blijf goed hoor...!’ (Cairo 1977: 79). Ze legde een hand* op zijn schouders. ‘Blijf wel, hoor, Nohar’ (Vianen 1971: 67). - Etym.: Lett. vert, van S tan boen. - Zie ook: kom* goed (syn.).
— :blijven met slapen en baden, logeren. - Etym.: Ook kortweg blijven* (2). - Zie ook: baden* (2).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Blijven, oorspr. be-lijven, Os. bi-liban, van een Voorgerm. wt. lipo = kleven. Blijven beduidt dus eigenlijk: bij iets vastzitten, ergens niet van daan gaan. Hieruit ontwikkelde zich gemakkelijk het begrip van: voortdurend in denzelfden toestand of vorm verkeeren, niet veranderen: het blijft koud. Ook leven en lijf (= de voortdurende toestand of de voortdurende vorm) herinneren aan dezen ouden wortel.

W. de Vreese (1899), Gallicismen in het Zuidnederlandsch, Gent

blijven. - Dit werkwoord wordt vaak gebruikt waar ons taaleigen overblijven vereischt, t.w. wanneer eene onbepaalde wijs met te volgt. Dit gebruik is eene al te letterlijke vertaling naar het Fransch: rester beantwoordt nl. aan blijven en aan overblijven beide. Verg. beneden bij Laten. || Ten slotte blijft mij nu nog de heeren boekbewaarders van Antwerpen, Gent en Leiden, voor hunne bereidwilligheid te danken, p. alberd. thym in Versl. Vl. Ac. 1890, 67. Er zal een tijd komen, … waarop de eenige vooruitgang, die nog zal te doen blijven, een sterrekundige vooruitgang zal zijn, GEIREGAT, Maatschapp. Vraagst. 128. Ik ben toch zoo gelukkig …, er blijft mij niets meer te wenschen, en nu bekommert mij soms de gedachte aan dood en scheiding, LOVELING, Mijnh. Conneh. 210. Wij hebben de eerste verdieping en dus slechts eene helft der gebouwen gezien; geheel de benedenverdieping blijft ons nog te bezoeken, ROOSES, Op Reis 269. Er blijft ons nog te spreken over de schrijfwijze der plaatsnamen en andere aardrijkskundige benamingen. De Toekomst 31, 30. Was dat nog niet het eerlijkste wat hem te doen bleef? BUYSSE in De Gids 1895, II, 237.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

blijven ‘voortgaan te bestaan’ -> Deens blive ‘voortgaan te bestaan’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors bli, blive ‘voortgaan; worden’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds bli ‘voortgaan te bestaan’ (uit Nederlands of Nederduits); Javindo belijf ‘voortgaan te bestaan’; Negerhollands bliev, blief, bli ‘voortgaan te bestaan’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

blijven* voortgaan (te bestaan) 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2032. Wat men schrijft dat blijft,

ook wel die schrijft die blijft, d.i. hij die goed boekhoudt, uit zijne boeken onmiddellijk een overzicht over zijne zaken heeft, dus kan zien, wat winst en verlies oplevert, gaat niet ten onder (Peet, 52); hd. was man schreibet, das bleibet, durch Urkunden und Briefschaften kann der Beweis einer Sache am leuchtesten geführt werden; nd. de der schrift, de der blift; schrift klivt (Eckart, 470-471; Wander IV, 335); wer nig schrivt, de nig blivt, wer ein behaltener Mann bleiben will, muss über Ausgabe und Einnahme ordentlich Buch halten (Wander IV, 336). In mlat. scripta manent of littera scripta manet. Zie ook Jan Matthijssen, R.v.d. Briel, bl. 82.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

leip-1 ‘mit Fett beschmieren, kleben’ (daraus auch ‘sich anheftend hinaufklettern, klettern’), wohl Erweiterung zu lei- ‘schleimig’.

Ai. lip- (limpáti-, lipyátē) ‘beschmieren’, liptá- ‘klebend, an etwas haftend’, lēpayati ‘beschmiert’ (= slav. lěpiti), rip- ‘schmieren, kleben, betrügen’; ríp- f. ‘Betrug; Verunreinigung’(= gr. λίπα Akk.), lēpa- m. ‘das Bestreichen, das Aufgestrichene, Schmutz’, rḗpas- n. ‘Fleck, Schmutz’, riprá- n. ‘Schmutz’ (ähnlich gr. λιπαρός, alb. laparós), ripú ‘tückisch, Betrüger’;
npers. fi-rēftan ‘betrügen’, rēw ‘Betrug’, osset. fä-lēwun, -līwyn ‘betrügen’;
gr. λίπος n. ‘Fett’, λιπαρός ‘fett, gesalbt’, mit Auslautentgleisung ἀλείφω ‘salbe’, ἄλειφαρ, ἀλοιφή ‘Salbe’; mit der Bed. ‘klettern’ (wie lit. lipù, lìpti) gr. αἰγίλιψ ‘nur von Ziegen erkletterbar’, ἄλιψ· πέτρα Hes., eig. ‘unersteiglich’, λίψ· πέτρα, ἀφ’ ἧς ὕδωρ στάζει Hes.;
alb. laparós ‘beschmutze, stinke’, lapërdhī́ ‘schmutzige Rede’, gëlepë, shklepë f., glep ‘Augenbutter’ (Präfix kë- + *loipos oder *loipā);
lat. lippus ‘triefäugig, triefend’ (mit expressiver Konsonantenschärfung);
got. bileiban, ahd. bilīban ‘bleiben’, ags. belīfan ‘bleiben, übrigbleiben’ (zum ī s. Meillet MSL. 14, 351), Kaus. got. bilaibjan; aisl. leifa, ahd. leiben, ags. lǣfan ‘übriglassen’; got. laiba f., aisl. leif, ahd. leipa, ags. lāf ‘Überbleibsel’; got. aflifnan, aisl. lifna ‘übrigbleiben’, aisl. lifa ‘übrig sein’;
germ. līƀ- ‘(kleben) bleiben’ hat auch die Bed. ‘übrigbleiben’ von līƕ (leik- ‘verlassen’) aufgesaugt, das dadurch nunmehr in der Bed. ‘überlassen, leihen’ lebendig blieb;
[eine verschiedene, auch in lat. cae-lebs aus *caivi-lib- (s. kai- ‘allein’) vorliegende Wz. *leibh- ‘leben’ enthalten got. liban (3. Sg. libaiþ), ahd. lebēn, as. libbian, leƀōn, ags. libban, aisl. lifa ‘leben’, lifna ‘lebendig werden’; aisl. līf n., ags. līf, as. līf, līƀ n. ‘Leben’, ahd. līb, līp, mhd. līp, lībes m. n. ‘Leben; Leib, Person’];
lit. limpù, lìpti ‘klebenbleiben’ (und lipù, lìpti ‘klettern’, s. oben), lipnùs ‘klebrig’, lipùs ‘ds., anhänglich’, lett. lípu, lipt ‘anhangen’, lipigs ‘klebrig’, lipns, laipns ‘mild, leutselig, freundlich’;
slav. *lьnǫ, *lьnoti in aksl. pri-lьnǫti ‘ankleben’ und slav. *lьpěti in aksl. pri-lьpljǫ, pri-lьpěti ‘ankleben’, dazu Kaus. aksl. pri-lěpiti sę ds., usw. und aksl. *lěръ m. ‘Leim’ (= ai. lēpa-), auch abg. lěpъ ‘passend, schön’ (ursprüngl. ‘anklebend’);
toch. A lip- ‘übrigbleiben’; lyipär ‘Rest’;
hitt. lip- ‘schmieren’.

WP. II 403 f., WH. I 811 f., Trautmann 161 f., Jokl L-k. U. 314, Specht KZ. 64, 67.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal