Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

blek - (lapje leer)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

blek* [lapje leer] {1926-1950} vgl. middelnederlands blec [vlek], en dan gebruikt voor ‘plat stukje, plakje’.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

blèèkns, blèèkes, bleikes mazelen (Overijssel, Drente, Veluwe). Vgl. mnl. blec ‘vlek’ (mv. bleke) en mnl. blecke ‘vlek’.
Weijnen/Ficq, krt. 6, 48, 221.

blek huidschilfer, afgeschilde schors, (in het mv.) bast van korrels, grond die na regen toeslaat (en dan blinkt in de zon) (Oost-Noord-Brabant). = mnl. blec (bnw.) ‘ontveld’, (znw.) ‘boven water uitstekend en dus door de zon beschenen land’. Afl. bij mnl., mndd. blicken ‘glanzen’. ~ blaken
De Bont 1958, 86, NEW 65, WVD I afl. I, 54.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

blek, zn. m.: blik, schijnsel. Met gewone Wvl. e, zoals in pek ‘pik’, stekken ‘stikken’, lek ‘lik’, strek ‘strik’. De Kortrijkse zegswijze nem blek voor ne lek ‘een beetje zonneschijn en dan weer regen’ vermeldt De Bo al in 1736 in een Kortrijks handschrift: n’en bleck omne ne leck. Van ww. blekken; zie i.v.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

blik III: b.nw., “ontvel” (vgl. blikners); dial. Ndl. blek/blik (reeds Mnl. blec/blic), “bleek; kaal; ontvel”.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal