Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bleek - (wit)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

bleek 1 bn. ‘licht gekleurd, wittig’
Mnl. bleec ‘bleek, kleurloos; mat, vaal, grauw’ [1240; Bern.], maar al onl. het zn. bleike ‘bleekheid’ [10e eeuw; W.Ps.].
Het woord is ablautend verwant met → blijken en → blik 1. De grondbetekenis is ‘glanzend, schitterend’, dus ook ‘wit’.
Os. blēk; ohd. bleih (nhd. bleich); nfri. bleek; oe. blāc (ne. dial. blake; ne. bleak < on.); on. bleikr ‘bleek, schitterend, glanzend’ (nzw. blek); < pgm. *blaika-. Daarnaast de werkwoorden: mnd. bleken; ohd. bleihhēn (nhd. bleichen); oe. blǣc(e)an (ne. bleach); on. bleikja (nzw. bleka).
Buiten het Germaans zijn er alleen Baltische en Slavische verwanten: Litouws blỹkšti ‘bleek worden’, bliskéti, blyskéti ‘glanzen, fonkelen’, blizgěti ‘schitteren’, blaikštýtis ‘opklaren (van lucht)’; Lets bližgêt ‘schitteren’, blizêt ‘blinken’, blaiskums ‘vlek’, Oudkerkslavisch blĭštati ‘glanzen’, bliskĭ ‘glans’. Als de bijbehorende wortel Indo-Europees is, wat gezien de beperkte verspreiding niet zeker is, zou dat pie. *bhleig- (IEW 156-157) moeten zijn, dat een uitbreiding zou kunnen zijn van *bhlei-. De basis daarvan is dan wrsch. een wortel *bhel- < *bhel(H)- ‘glanzend wit’.
bleken ww. ‘linnengoed wit maken’. Mnl. bleken [1240; Bern.], blecken [1282; Toll.]. Afleiding van bleek.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bleek1* [wit] {oudnederlands bleik(e) 901-1000, middelnederlands bleec} behoort (met ablaut) bij blijken, dat oorspr. ‘schitteren, schijnen’ betekende; de oudste betekenis van bleek was dan ook ‘glanzend’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bleek 1 bnw., mnl. bleec, os. blēk, ohd. bleih, oe. blāc, on. bleikr (< germ. *blaika-) — Zie: blijken en blik.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bleek bnw., mnl. bleec. = (onfr. bleike dat. “pallore”), ohd. bleih (nhd. bleich), os. blêk, ags. blâc (eng. bleak uit het Noorsch), on. bleikr “bleek, witachtig”, ook nog wel in de oudere bet. “glanzend”. Ablautend met blijken en blik en verwant met obg. blĭštą, blĭštati, iter. bliscają, bliscati sę “schitteren” (bhlī̆ĝ sq-), ksl. blěskŭ “glans” (? Zie bles), lit. blýszkiu, blyszkė́ti “fonkelen”. Voor verwanten hoogerop zie bij berk en blaken.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

bleek bnw. Buiten het Germ. vgl. wellicht ook ier. blicht ‘schittering’ (zie blaken Suppl.). Bij het znw. bleek toevoegen: mnd. blêke, bleike v. ‘bleekvelď.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bleek 1 bijv.(kleurloos), Mnl. bleec, Os. blêc + Ohd. bleih (Mhd. en Nhd. bleich), Ags. blác (Eng. bleak), On. bleikr (Zw. blek, De. bleg), van denz. stam als ’t enk. imp. van blijken.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

bleek: – (gew. doeb. v.) bleik – ; Ndl. bleek/(dial.) bleik, soos vlees/vleis soms met en soms sonder versk. v. bet., hou verb. m. Eng. bleach en bleak, Hd. bleich, asook met blik (v. d. oog), blyk, wat almal blb. teruggaan op bet. “blink, skitter”.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bleek ‘wit’ -> Frans dialect blage ‘wit; onvoldoende gebakken (van steen)’; Kupang-Maleis balék, blek ‘zonder blos, wit (gelaatskleur)’; Negerhollands bleek ‘wit’; Papiaments blek (ouder: bleek) ‘wit’; Sranantongo breiki ‘wit; bleken’.

N. van der Sijs (2006), Klein uitleenwoordenboek, Den Haag

blauw. In 1859 is het eerste woordenboek van het Papiaments verschenen. Een exemplaar ervan werd in 1958 teruggevonden, maar zonder titelpagina, zodat auteur, titel, uitgever en plaats en tijd van uitgave onbekend waren. Recent onderzoek echter heeft de ontbrekende gegevens opgeleverd, en in 2004 is een heruitgave van het werk verschenen onder de titel Woordenlijst der in de landstaal van Curaçao meest gebruikelijke woorden met Zamenspraken, door Bernardus Th.J. Frederiks en Jacobus J. Putman, 1859, Curaçao, Drukkerij van het vicariaat. Putman was verantwoordelijk voor het deel Zamenspraken (dialogen), dat een herdruk was van een reeds in 1853 gepubliceerd boek, terwijl Frederiks de woordenlijst had samengesteld. Op pagina 34 staat een overzicht van kleurnamen in het Papiaments en het Nederlands. Hier staan vermeld:

blankoe - wit, prétoe - zwart, koraal - rood, blaauw/azoel - blaauw, geel (heel) - geel, bérde - groen, bruin - bruin, grijs - grijs, cjinísji - aschgraauw, morá - paars, bleek - bleek.

Aan dit rijtje valt op dat een aantal Papiamentse kleurnamen ontleend is aan het Nederlands, namelijk blauw, geel, bruin, grijs en bleek. De overige namen gaan terug op het Portugees of Spaans. De genoemde Nederlandse leenwoorden komen nog steeds voor in het Papiaments, tegenwoordig op Curaçao gespeld als blou, hel, brùin, gris en blek (gris is inmiddels qua spelling aangepast aan het Spaanse gris). Blauw en geel zijn (naast rood) de primaire kleuren, kleuren dus waarvan je niet verwacht dat de namen uit een andere taal worden overgenomen. Als secundaire kleuren, die ontstaan door menging van twee primaire kleuren, gelden oranje, groen en violet. Van deze drie is de Nederlandse naam oranje door het Papiaments geleend in de vorm oraño. Tevens heeft het Papiaments ros geleend, teruggaand op roze.

Het Indonesisch heeft uit het Nederlands de kleurnamen belau 'blauw' en oranye 'oranje' geleend, en de mengkleuren lila, okér, pastél en violét. Het Sranantongo heeft geleend blaw 'blauw', breiki 'bleek', broin 'bruin', geri 'geel', grun 'groen', oranye 'oranje', persi 'paars' en misschien weti 'wit' (dat laatste kan ook uit het Engels komen; het Sranantongo is immers een Engelse creooltaal).

Nederlandse kleurnamen zijn niet alleen geëxporteerd naar de vroegere koloniën, maar ook naar enkele Europese landen. In dat geval echter beduiden ze niet een kleur, maar een specifieke záák met die kleur. Zo is in het Portugees zuarte de benaming voor een soort katoenen weefsel van zwarte kleur. Engels Bruin of bruin, uitgesproken als /broe-in/, wordt gebruikt als eigennaam ter aanduiding van de bruine beer, bijvoorbeeld: 'During the autumn Bruin may not unfrequently be seen near the vineyards' (in de herfst kan men regelmatig Bruin(tje) tegenkomen in de buurt van de wijngaarden). Het Engels heeft dit woord al in de tweede helft van de vijftiende eeuw overgenomen; het gaat terug op Bruin de Beer, de naam van de beer in het dertiende-eeuwse dierenepos Van den vos Reinaerde. Dit dierenepos is in veel talen vertaald, waaronder het Engels. De naam Bruin wordt ook wel gegeven aan een bruingekleurd huisdier, zoals een abessijn.

Op het eerste gezicht lijkt het vreemd dat kleurnamen van de ene taal in de andere worden overgenomen: kleuren zijn toch universeel, dus iedere taal zal daarvoor toch wel een eigen benaming bezitten? Toch blijkt dat juist kleurnamen zeer regelmatig zijn geleend van de ene taal in de andere, kennelijk omdat de brontaal kleurnuances onderscheidde die tot dan niet voorkwamen in de ontlenende taal. Zo zijn de Germaanse namen voor kleuren die in de Nederlandse woorden blank, bruin, grijs en vaal zijn blijven voortleven, overgenomen door het vulgair Latijn en vandaar in de Romaanse talen. Waarschijnlijk duidden de Germaanse soldaten met deze namen de kleur van hun paarden aan; in ieder geval verwezen ze naar kleurnuances die voordien bij de Romeinen geen benaming hadden. In het Frans vinden we de Germaanse woorden terug als blanc, brun, gris en fauve. De Romeinen hebben ook het woord voor de typische haarkleur van de Germanen overgenomen, namelijk 'blond', dat in het Frans blond is geworden en in het Nederlands weer is teruggeleend. Het Nederlandse blond is op zijn beurt geleend door het Papiaments als blònt.

In een latere periode heeft het Nederlands allerlei kleurnamen ontleend aan het Frans, die kennelijk tinten aanduidden die tot dan bij ons onbenoemd waren, of die in een bepaalde periode in de mode raakten: in de dertiende eeuw de namen oranje, paars, scharlaken en violet, in de veertiende eeuw azuur en vermiljoen, in de vijftiende eeuw roze, in de zestiende eeuw oker, in de zeventiende eeuw tur­koois, in de achttiende eeuw pastel, en in de negentiende eeuw beige en lila. Een deel van deze geleende namen hebben we vervolgens weer uitgeleend aan andere talen, zo bleek hierboven. Uit de dateringen blijkt dat de kleurnamen niet allemaal tegelijk zijn geleend, maar geleidelijk naarmate het kleurenpalet, ook in het Frans, zich uitbreidde. Ongetwijfeld heeft de internationaal georiënteerde schilderkunst een belangrijke rol gespeeld bij de overname van de kleurnamen.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bleek* wit 0901-1000 [WPs]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

bheleg- ‘glänzen’, Erw. von bhel- ds.

bhelg-: ai. bhárgas- n. ‘strahlender Glanz’ (*bhelgos); Bhŕ̥gavaḥ, Pl. ‘mythische Priester des Blitzfeuers’; lett. bal̃gans ‘weißlich’; vielleicht hierher aksl. blagъ ‘gut’, russ. (alt und mtdarl.) bólogo Adv. ‘gut’, eig. ‘licht’ (Gegensatz ‘dunkel’: ‘böse’); toch. AB pälk- ‘brennen, leuchten, sich erhitzen’, A pälk, В pilko ‘Blick’, A polkāṃts ‘Gestirn’ (: lit. bãlgans), В empalkaitte ‘nachlässig’ (Negation + *palk- ‘leuchten’ neben pälk-);
bhleg-: gr. φλέγω ‘brenne, senge, zünde an’, φλεγέθω ‘senge, setze in Brand; intr. brenne, stehe in Flammen’, φλέγμα n. ‘Brand; Entzündung; Schleim’, φλεγμονή f. ‘Entzündung; Leidenschaft; Brunst’, φλεγύας· ἀετός ξανθός Hes. (Adj. ‘feurig rot’) φλόξ, φλογμός ‘Flamme’;
lat. flagrō, -āre ‘flammen, lodern, brennen’, wozu wohl flamma ‘Flamme’ als *flagmā, osk. Flagiuí etwa ‘Fulgurātōrī’; neben flăg- (red.-stufiges *bhlegró-, *bhlegmā́ oder wegen φλογμός, φλόξ eher *bhlogmā) steht schwundstufiges bhl̥g-, lat. fulg- in lat. fulgō und fulgeō, -ēre, fulsī ‘blitzen, schimmern, leuchten’, fulgor, -ōris ‘das Blitzen, Schimmer, Glanz’, fulgus, -uris ‘Blitz, Schimmer’, fulmen (*fulgmen) ds.;
mir. imblissiu ‘Augenstern’ (*m̥bhi-bhl̥g-s-, Vendryes RC. 40, 431 f);
ahd. blecchen (*blakjan), mhd. blecken ‘sichtbar werden, sehen lassen’, nhd. blecken ‘die Zähne zeigen’; ahd. blecchazzen, mhd. blecken ‘blitzen’, mndl. nndl. blaken ‘flammen, glühen’, ags. blæcern, blacern ‘Leuchter’, aisl. blakra ‘blinken’; hierher wohl als ‘angebrannt (vgl. nd. blaken von rußender Lampenflamme), angerußt’, ags. blæc ‘schwarz’, n. ‘Tinte’, ahd. blah ds.; nasaliertes germ. *blenk-, *blank- in mhd. nhd. blinken, mhd. blinzen (*blinkatjan), nhd. blinzeln (daneben mit germ. g älter dän. blinge ‘blinken’ u. dgl., s. Falk-Torp u. blingse); ahd. blanch, mhd. blank ‘blinkend, glänzend, weiß’, nhd. blank, ags. blanca m. ‘Roß’ (eig. von heller Farbe, vgl.:) aisl. blakkr ‘fahl’, poet. ‘Roß’ (‘Falbe, Schimmel’), aschwed. blakker ‘fahl, falb’, aber auch ‘schwarz, dunkel’ (aus dem Germ. entlehnt frz. blanc, ital. bianco). Von dieser Nasalform auch pr. blingis ‘Bleihe’;
lit. blágnytis ‘sich ausnüchtern; sich aufhellen’, alit. blinginti ‘glänzen’.
Eine Variante auf -g̑- vielleicht in lett. blãzt ‘schimmern’, blãzma (blāg̑-ma) ‘Widerschein am Himmel’.

WP II 214 f., WH. I 510 f. 865, Pedersen Toch. 162, 218, Van Windekens Lexique 17, 98, EM. 398.Neben bheleg- steht gleichbedeutendes bhereg̑-, s. dort.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal