Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

blazen - (krachtig uitademen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

blazen ww. ‘krachtig uitademen’
Mnl. blasen ‘blazen’ [1240; Bern.].
Mnd. blasen; ohd. blāsan (nhd. blasen); nfri. blaze (nevenvorm blieze); me. blasen (ne. blaze ‘blazen’); on. blása (nzw. blåsa); got. blēsan; < pgm. *blēsan- ‘blazen’. Hiervan afgeleid zijn de zn.: ohd. blāst; oe. blǣst ‘windvlaag’ (ne. blast ‘rukwind, krachtige luchtstroom’). Daarnaast zonder s-formans, dus uit pgm. *blēan-: mnl. blaeyen ‘waaien’; ohd. blājan (nhd. blähen); ofri. blīa; oe. blāwan ‘blazen’ (ne. blow, ontleend als → blowen).
Verwant met Latijn flāre ‘blazen, waaien’, flēre ‘huilen’; Oudkerkslavisch blějati ‘loeien, blaten’; Lets blet ‘blaten’; bij de wortel pie. *bhleh1- ‘blazen’ (IEW 121,154); maar zie ook → bal 1 en → bel 1.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

blazen* [met kracht uitademen] {blasen 1201-1250} oudhoogduits blasan, oudnoors blása, gotisch blesan, naast middelnederlands blaeyen [waaien], oudhoogduits blajan [blazen, waaien], oudengels blawan; buiten het germ. latijn flare [blazen], van dezelfde stam als blaar2. In de uitdrukking de aftocht blazen [er vandoor gaan, terugtrekken] is blazen metonymisch gebruikt voor het geven van trompetsignalen → geblazen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

blazen ww., mnl. blâsen, mnd. blāsen, ohd. blāsan, on. blāsa, got. blēsan, daarnaast staat mnl. blaeyen ‘waaien, wapperen, zwaaien’, ohd. blājan, blāen (nhd. blähen), oe. blāwan (ne. blow) ‘blazen, waaien’. — lat. flare ‘blazen’ (*bhlə-iō), gr. phlēnaros ‘geleuter’. — Zie: bloed.

Men kan met IEW 121 uitgaan van een wortel *bhel ‘opblazen’ (waarvoor zie: bal), maar men moet er toch op letten, dat er een reeks van dergelijke gelijkbeduidende wortels naast elkaar staan, bijv. *bhleis in on. blīstra ‘blazen, fluiten’; *bhleu in gr. phlúō ‘opwellen, sproedelen, babbelen’, nd. blüstern ‘hevig blazen’, lit. bliáuju, bliáuti ‘loeien’. Heeft het zin deze klanknabootsende woorden op een idg. wortel terug te voeren? (zie: blaten). Bij het blazen worden de lippen naar voren gestulpt, geen wonder dat de klankverbinding bl daarvoor het aangewezen uitdrukkingsmiddel was. Natuurlijk vinden wij reeds in het idg. dergelijke woorden, maar zij zijn in de loop van tijd in verschillende talen telkens weer spontaan op nieuw ontstaan.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

blazen ww., mnl. blâsen. = ohd. blâsan (nhd. blasen), mnd. blâsen, on. blâsa, got. blesan “blazen”. Het Ags. bewaarde wel het znw. blæ̂st m. “windstoot” (eng. blast) = ohd. blâst, (os. in anablâst), on. blâstr m. “id.”. De s is formantisch, blijkens mnl. blaeyen “waaien, wapperen, zwaaien, op en neer gaan”, ohd. blâjan, blâen “ blazen, waaien” (nhd. blähen), ags. blâwan “id.” (eng. to blow). Germ. ƀlê- is verwant met lat. flâre “blazen”, ê-vocalisme heeft lat. flêmina “bloedgezwel”. Hierbij ook wellicht gr. phlḗnaphos “geleuter”, phlēdáō “ik leuter”. Obg. blaznŭskándalon” zal wel niet verwant zijn. Voor de bet. van blazen vgl. av. barǝnti ayąn “op een windigen dag”, van den korteren wortel bhel-. Oorspr. wortelbeteekenis: “zwellen”.Voor verwanten hoogerop vgl. blad, blaar I.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

blazen ono.w., Mnl. blasen + Ohd. blâsan (Mhd. en Nhd. blasen), On. blása (Zw. blåsa, De. blœse), Go. blesan, waarnevens Ags. bláwan (Eng. to blow), Mnl. blaeien, Hgd. blähen + Lat. flare: Idg. wrt. bhlā en bhlē = zwellen (z. bloeien).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

bloze (ww.) blazen; Vreugmiddelnederlands blasen <1240>.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

blazen (G), ww.: liegen, opscheppen; drinken, zuipen. Overdrachtelijke betekenissen van Ndl. blazen. De eerste bet. via 'opblazen, overdrijven'. De bet. 'drinken' met bijgedachte aan het blazen op een hoorn, trompet, waarbij de houding lijkt op die van drinken. Vgl. Mnl. busen 'drinken', maar ook 'op de hoorn blazen'; vgl. familienaam De Buyser.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

I. blazen (blaasde, heeft geblazen), 1. slaan. Ik blaas je! - 2. schieten met een vuurwapen. Als er een awari* op het erf* zit, ik blaas hem zo! (mond.). - Etym.: (1) Vgl. E blow (zn.) = o.m. klap. (2) AN b. kan schieten betekenen, maar dat is zeer ongebruikelijk. Vgl. E to blaze = o.m. schieten. - Zie ook: wegblazen*.

II. blazen (blaasde, heeft geblazen), (term uit de bouwwereld) recht buigen en door middel van schoren in zijn vorm houden (van een krom geworden houten wand).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Blazen van ’t Idg. bhla, bhle = zwellen, opbollen (n.1. van de wangen). Verwant is bloeien, z. d. w.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

blazen ‘met kracht uitademen; damschijf van de tegenpartij wegnemen’ -> Engels blaze ‘een blaasinstrument bespelen; proclameren; blazoeneren’; Frans blaser ‘afstompen door overmatig gebruik’; Italiaans blasé ‘afgestompt’ <via Frans>; Grieks mplaze /blazé/ ‘afgestompt’ <via Frans>; Makassaars balâs, balâsá ‘damschijf van de tegenpartij wegnemen’; Petjoh blazen ‘slaan, afranselen; afstoffen; schieten; opeten; er vandoor gaan’; Negerhollands blaas, aass, blās, blaes ‘met kracht uitademen’; Berbice-Nederlands blasi ‘met kracht uitademen’; Papiaments blas ‘met kracht uitademen; opblazen; een uitbrander geven’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

blazen* met kracht uitademen 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2278. (Hoog) van den toren blazen,

Vgl. nog De Amsterdammer, 30 Aug. 1924, p. 1.: Minister Ruys de Beerenbrouck heeft een paar weken geleden, in zijn rede op den Limburgschen Katholieken dag, hoog van den toren geblazen zonder dat er ergens brand was uitgebroken.

een groot woord hebben, een hoogen toon aanslaan; Harreb. II, 341: Hij blaast van den toren; De Vrijheid, 12 Maart 1924, 1ste bl., p. 3 k. 1: Wie eenmaal een blauwtje liep, moet niet zoo hoog van den toren blazen.

251. Beter hard geblazen dan den mond verbrand ( of gebrand).

Sedert de 17de eeuw zeer gewoon in den zin van het is beter veel, misschien onnoodige drukte te maken ter voorkoming van ongelukken, dan schade te lijden. Zie Spieghel, 279; Coster, 40, vs. 902: Beter dat je stijf blaest dan datje je mongt barrent; Smetius, 77; De Brune, 230:

 't Is beter blaezen t'aller stond,
 Als datmen heel verbrand zijn mond.

Zie verder Paffenrode 51; Tuinman I, 279; Van Effen, Spect. VI, 112; IX, 66; Antw. Idiot. 248: t Is beter geblazen als de(n) mond verbrand (zoo ook Waasch Idiot. 122 b); Ndl. Wdb. II, 2807; Joos, 210: Te heet gegaapt is te laat geblazen; voor het nd. Taalgids IV, 250; Eckart 45; 46. In het fri.: better wol to bliezen as de mûle barnd of better út in heech gat bliesd as de mûle barnd; hd. besser hart geblasen, als sich den Mund verbrennen (Wander I, 331).

385. In de bus blazen,

d.w.z. zich geldelijke offers moeten getroosten, geld geven, opdokken; volgens Weiland, ‘hetzij als eene opgelegde boete, hetzij als eene vrijwillige uitgaaf’; in de 17de eeuw in de beurs blazen (bij Six v. Chandelier, 627); in de beurs kakken (zie Ndl. Wdb. VII, 900) naast in de bus blazen, o.a. bij Van Effen, Spect. IV, 198 en Sewel, 152: In de bus blaazen (geld op dokken), to contribute, to club; Halma, 98: In de bus blaazen, geld opbrengen, cracher au bassin. In het Zaansch in den buul blazen (Boekenoogen, 124); in 't Geld. klinken op de bussenSchrijnen, Volkskunde, I, 162.; fri.: yn 'e bûse blieze, veel geld uitgeven; Nest. 32: Tijden, waarin het er aan zat en hij eens ferm in de bus blies. In Zuid-Nederland (Schuerm. Bijv. 287): in zijne beurs gaan schieten, betalen, zijn hemde eenen knoop geven (De Bo, 420) naast de bus blazen (in Antw. Idiot. 315), er slecht afkomen. Opmerkelijk is het, dat bij Tappius (anno 1545) reeds voorkomt in die Büchse blasenWander I, 501. in den zin van boete betalen, tegen zijn zin geld geven, zoodat ook bij ons in de bus blazen wel de oudste vorm der spreekwijze zijn zal, en de andere uitdrukkingen als variaties hiervan moeten worden beschouwd. Hiernaast einem in die Tasche blasen, ihn seines geldes u.s.w. berauben (uit Theatrum diabolorum, Frankf. 1575). In het Fransch zegt men cracher au bassin (ou le bassinet). Eene afdoende verklaring is nog niet gegeven. Vgl. Noord en Zuid XIX, 29; Mnl. Wdb. 1, 1479 en Ndl. Wdb. III, 1924, waar voor den oorsprong gedacht wordt aan de middelnederlandsche sotternie van den Buskenblaser, waar een man voor veel geld in een bus met zwart poeder blaast, in de hoop daardoor verjongd te worden.Zie deze sotternie bij Dr. P. Leendertz Jr., Mnl. Dramatische Poëzie, bl. 70-78. Vgl. het 17de-eeuwsche: in de zak, in de beurs schieten (zie Ndl. Wdb. XIV, 577).

611. Geblazen zijn,

d.w.z. weggeblazen, weg zijn, ook: dood zijn, foetsie zijn.Amsterdammer, 15 April 1922, p. 2 k. 4: Drion riep: De vloot moet hartstikke dood en even daarna was ze foetsie. De uitdr. is hoogstwaarschijnlijk ontleend aan het damspel, waarbij men onder ‘blazen’ verstaat eene dam of eene schijf wegnemen, waarmede verzuimd is te slaanZie Eph. v. Emden, Verhandeling over het Damspel, Amsteldam, 1785, bl. 15-16. Op zulk een steen wordt nog wel door den winner geblazen, nadat hij hem heeft opgenomen.. Vgl. Halma, 78: Eene dam of schijf in 't damspel blazen, souffler une dame, un pion; Sewel, 121: Een schijf, dam blaazen, to blow a man, at draughts. Vgl. ook Tuinman I, 262: Ymand een schyf blaazen. Dit word ook lachende wel op een ontkaapt wijnglas toegepast’In dezen zin in de Gew. Weuw. III, 46: Daerom heb ik mijn glas uitgedronken, jy mocht het anders blaazen.; Harreb. III, 13: Kan je dammen dan kan je ook blazen; Ndl. Wdb. II, 2810. In Groningen noemt men dit poesten (vgl. asschepoester), en in Friesland is een pûster een misslag op het dambord; zie Molema, 331 a. In Zuid-Nederland beteekent, volgens De Bo, 144 a, geblazen zijn, verloren zijn, te leur gesteld zijn, in den grond geholpen zijn; Schuermans, 39 b: Het is er meê geblazen, het is er meê gedaan, hetzelfde als het is er meê gebeld (bl. 89 a); Teirl. 181: Geblaze zijn, verloren zijn. Ook in het Fransch kent men souffler quelque chose à quelqu'un, iemand iets ontkapen, en is souffler (evenals het hd. blasen; eng. to blow) een term in het damspel gebruikelijk.

2267. Hij weet van toeten noch blazen,

d.w.z. hij weet volstrekt niets; hy en kan singen noch seggen (Sart. I, 5, 73); hd. weder Gicks noch Gacks wissen; ‘van keper noch van hanebalk weten’, of ‘van hoesel noch snee weten’, ‘van hond noch stront weten’, zooals men in Zuid-Nederland zegt. Beide werkwoorden beteekenen blazen; misschien moet men evenwel bij toeten meer in het bijzonder aan een hoorn denken, terwijl blazen ook van eene fluit kan worden gezegd. Zie Campen, 106: hy can tuyten noch blasen; Huygens, Korenbl. II, 281; Van der Venne, Zinneb. 113: Anders weet men nau van tuyten ofte blasen; Tuinman I, 261: Hy weet van toeten, noch van blaazen, hy is een gantsch onkundig mensch; Harreb. III, 13 a; 375 b; De Jager, Frequ. II, 670; Ndl. Wdb. II, 2809; De Arbeid, 26 Dec. p. 3 k. 3; Joos, 63. In het Nederd.: he weet nich van Tuten off Blasen; hä weisz vuum Tüüten un Blose nicks (Taalgids IV, 280); da helpt kên Tüten oder Blusen; dai wet nit van Tütten oader Bloasen (Eckart, 532); 't Daghet XII, 161: van toeten of blazen weten; in Zuid-Nederland: hij en weet van toeten of blazen; noch van tuit noch van blaze weten (De Bo, 1196 a; Claes, XVII); van hoeten noch toeten weten (Antw. Idiot. 565; Joos, 48); fri. hy wit fen tûtsjen noch blazen.

2339. Geen veer van den mond kunnen blazen,

d.w.z. zeer zwak zijn, uitgeput zijn, geen kracht meer bezitten om ook maar een veer van den mond te blazen; ook in fig. zin. Eene uitdr. die volgens Dr. A. Beets, Noord en Zuid XXI, 478 kan ontleend zijn aan de rechtspraktijk uit den tijd, dat men in sommige streken bij een ter dood geslagen of gestoken persoon trachtte uit te maken of hij nog leefde, door te probeeren of men op zijn mond nog eene ‘pluim’ of veder kon zien ‘wagen’, d.i. bewegen. Zoo leest men in de Statuten van Maastricht, dagteekenende van het jaar 1380: De den anderen quetst, dat her ter erden velt, of dat he sich te bedde legt, wie men denen halden ende vangen sal. I. Enden eirsten, want eyne vriheit is inder stadt van Luitken ende inden anderen gueden steden des bisdoms van Luitken ende der graefscap van Loen, dat eyn porter den anderen dar neder slaen of steken mach, ter doet toe wondt, ende bi den gequetsden mach bliven staen, of opder straeten ghaen onghevangen ende onbesoirght van den here of van yemanne als van des gerichts weghen, die wile ende also lange als der gequetsde dat leven in heet (heeft) ende also vele adoms, datmen op synen mont eyne plume magh sien waghenZie Crahay, Coutumes de la ville de Maestricht (Bruxelles, 1876), bl. 42 a.. In de 17de eeuw vinden we de uitdr. meermalen o.a. bij Hooft, Brieven, 169 en 358; Ned. Hist. 346; Kluchtspel III, 74; Paffenrode, 158; Poirters, Mask. 265: Ghelijck men iemandt, die langh in sijn uytersten heeft gheleghen, soo dat men twijffelt of daer noch aessem in is, een pluymken op den mondt leet, om te sien of het wegh gheblasen sal worden, welck een seker teecken is, dat daer noch gheest in den siecken is; enz. Uit deze plaats blijkt, dat men dit middel ook toepaste buiten de rechtspraktijk, waaraan de uitdrukking dus niet behoeft ontleend te zijn. Het kan een zeer oud middel geweest zijn om te zien of iemand nog leefde, waarvan men in de rechtspraktijk gebruik maakte. Zie verder nog Tuinman I, 317 en 353; V. Janus, 51; Harreb. II, 98 b; Boekenoogen, 71; Ndl. Wdb. II, 2808; Volkskunde XVI, 148; De Arbeid, 13 Febr. 1915, p. 2 k. 2: ‘Het Volk’ kan nu langzamerhand een veer van den mond blazen, nu 't het blad werd van Jan Publiek; vgl. Harreb. II, 391: Als hij maar een vlieg van zich af kan blazen; I, 206 b: Hij kan geene veêr van zijn gat blazenIn 't fri. beteekent hja kinne my gjin fear fen 't gat blaze, zij kunnen mij niets doen, ik ben buiten schot..

2582. Dat zijn ze, die Wilhelmus blazen,

d.w.z. dat zijn ze, die wij verwachten; dat zijn onze mannen, die moeten wij hebben. Eene zegswijze dateerende uit de 17de eeuw, of vroeger, uit den oorlog met Spanje, toen zij ‘die Wilhelmus bliezen’ onze vrienden, onze helpers waren. Oorspr. luidde ze: ‘dat zijn ze niet, die Wilhelmus blazen’, zooals Witsen, 101 en Tuinman, I, 62; II, 213 opgeven, en zooals ze ook voorkomt in de Gew. Weuw. III, 19; Plaiz. Kyv. 29; Harreb. II, 468 b: Dat zijn ze niet, die Wilhelmus blazen, men bezigt dit spreekwoord, wanneer de regte persoon, dien men wachtende is, niet komt opdagen.’ In den zin van ‘daar heb je de ware oorzaak’ komt de zegswijze voor in Nest, 99: Haha! daar heb je ze die 't Wilhelmus blazen. Zit de vork zóó in de steel. Met Tuinman en Woordenschat, 1244 aan een zekeren Hansken van Gelder te denken, die deze woorden zou hebben gebezigd, is onnoodigNog anders in V. Janus, II, 315: Met even veel recht, als men in vroeger en dus onverlichter dagen placht te zeggen: zij zijn het hem niet, die Wilhelmus blazen; enz..

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

bhel-3, bhlē- ‘aufblasen, aufschwellen, sprudeln, strotzen’

Ai. bhāṇḍa- n. ‘Topf, Gefäß’ (*bhāln-da?); nach Thieme (ZDMG. 92, 47 f.) hierher av. barǝ-s-man- ‘Bündel von Zweigen’, ai. bársva m. Pl. ‘Wulst, Zahnfleisch’ (Lw. aus av. *barsman ‘Polster’); vgl. unten ahd. bilorn.
Arm. bełun ‘fruchtbar’ (: gr. φάλης), bełn-awor ds. (: gr. φαλλός), Adontz, Mél. Boisacq 9.
Gr. φαλλός, φάλης ‘penis’ (φαλλός aus *bhl̥nós oder *bhelnós; vgl. air. ball, nhd. Bulle); dazu φάλλαινα (Bildung wie λύκαινα), φάλλη ‘Walfisch’ (vgl. das wohl durch illyr. Vermittlung entlehnte lat. ballaena; auch mhd. bullich bezeichnet große Fischarten; identisch ist φάλλαινα ‘Nachtfalter’, über ἀφελής und Zubehör s. oben Z. 1; über ὄφελος s. u. phel-; nach Persson Beitr. 299 ach φλόμος (φλόνος) ‘Königskerze, Pflanze mit dicken wolligen Blättern, als *bh(e)lo-mo-s?
Vermutlich phryg. βάμ-βαλον, βά-βαλον ‘αἰδοῖον’ Hes., auch βαλλιόν ‘penis’; thrak. VN Τρι-βαλλοί.
Lat. follis ‘lederner Schlauch; Windball, Ballon; Blasebalg, Geldbeutel’ (*bhl̥nis oder *bholnis, vgl. die germ. Worte mit -ll- aus -ln-);
cymr. bâl f. ‘Erhöhung, Berggipfel’ (*bhl̥ā);
schwundstuf. air. ball m. ‘Glied, Körperteil’, dann ‘Teil, Ort, Fleck’ (auch am Körper), daher vielleicht auch cymr. ball ‘Epidemie’; cymr. balleg ‘Sack, Börse’; ablautendes bol, boll in cymr. dyrn-fol ‘Handschuh’, arfolli ‘schwanger werden’, ffroen-foll ‘mit geblähten Nüstern’ (: φαλλός); reduktionsstuf. mit Formans -ko- und einer Bed. wie ahd. bald (s. u.): nir. bale ‘stark’, cymr. balch, bret. balc’h ‘stolz, anmaßend’.
bhl̥- (bhel-) in aschwed. bulin, bolin ‘aufgeschwollen’, bulde, bolde, byld ‘Anschwellung, Geschwür; aisl. bulr, bolr m. ‘Baumstamm, Rumpf’, mnd. mhd. bole f. ‘Planke’ (nhd. Bohle); aisl. boli ‘Stier’, ags. bula ds., bulluc ‘junger Stier’, engl. bull, mnd. nhd. Bulle (als *bull-ōn = gr. *φάλλων von einem St. *bulla- = φαλλό-ς); hess. bulle ‘vulva’; aisl. bolli m. ‘Trinkschale’ (‘*kugeliges Gefäß’; mir. ballán ‘Trinkgefäß’ wohl aus dem Nord.), ags. bolla m. ‘Schale’, hēafodbolla ‘Hirnschale’, afries. strotbolla ‘Kehlkopf’, as. bollo ‘Trinkschale’, ahd. bolla f. ‘Wasserblase, Fruchtbalg oder Knoten des Flachses’, mhd. bolle f. ‘Knospe, kugelformiges Gefäß’, ahd. hirnibolla ‘Hirnschale’, nhd. Bolle, Roßbollen, mhd. bullich, bolch ‘großer Fisch u. a. Kabeljau’ (vgl. φάλλαινα), vgl. auch ahd. bolōn, mhd. boln ‘rollen, werfen, schleudern’ und mit der Bed. geschwollen = ‘dick, groß’, schwed. mdartl. bål, bol ‘dick undgroß, stark, sehr kühn’, aisl. poet. bolmr ‘Bär’; hierher wohl aisl. bulki ‘Schiffslast’, schwed. dän. bulk ‘Buckel, Knollen’;
auf ein heterokl. Paradigma (?) *bhelr̥, Gen. *bhelnés deutet ahd. bilorn m. f. ‘Zahnfleisch’ (*bilurnō ‘Schwellung, Wulst’), falls nicht aus *beluznō; germ. *bel-n- auch in hess. bille ‘penis’ (: bulle), mnd. (ars-)bille, ndl. bil ‘Hinterbacke’, schwed. fotabjälle ‘Fußballen, Zehenballen’;
ablautend ahd. ballo, balla, nhd. Ball, Ballen, ahd. arsbelli m. Pl. ‘Hinterbacken’, ags. bealluc m. ‘Hoden’ (*bhol-n-), aisl. bǫllr ‘Kugel, Ball, Hode’; aisl. bali ‘Erhöhung entlang dem Uferrande; kleine Erhöhung auf ebenem Boden’; mit Formans -to- und der Bed. ‘geschwollen’ = ‘hochfahrend, kühn’, got. bal-þaba Adv. ‘kühnlich’, balþei f. ‘Kühnheit’, aisl. ballr ‘furchtbar, gefährlich’, baldinn ‘trotzig’, ags. beald ‘kühn, dreist’, ahd. bald ‘kühn, dreist, schnell’, nhd. bald Adv.; dazu ags. bealdor ‘Fürst, Herr’, aisl. GN Baldr.
Mit Abtönungsstufe *bhōl- wohl norw. bøl ‘brünstig, von der Sau’ (ablautend bala ‘brünstig sein’).
Wurzelform bhlē-:
Gr. φλήναφος ‘Geschwätz, schwatzhaft’, φλην-έω, -άω ‘bin schwatzhaft’; ἐκωφλαίνω wie φαίνω von bhā-, Aor. ἐκφλῆναι ‘hervorsprudeln’;
lat. flō, flāre ‘blasen’ (wohl aus *bhlǝ-i̯ō), aber flēmina ‘Krampfadern’ ist wohl Lw. aus gr. φλεγμονή; norw. dial. blæma ‘Hautbläschen’; aschwed. blæmma ds.; ahd. blāt(t)ara, as. blādara ‘Blase, Blatter’, ags. blǣdre ds., Red.-St. aisl. blaðra ‘Bläschen, Blatter’, ahd. usw. blat ‘Blatt’; aisl. blā- in Zs. ‘übermäßig, sehr’; mit vorherrschender Bed. ‘blasen’ ahd. i̯o-Präs. blājan, blāen ‘blasen, blähen, aufblähen’, ags. blāwan ‘blasen’ (das w aus dem Perf.), ahd. blāt, ags. blæd ‘Wehen, Hauch, Windstoß’, aisl. blǣr ‘Windstoß’; mit -s- got. ufblēsan ‘aufblasen’, aisl. blāsa ‘blasen, keuchen, aufblasen; unpers.: aufschwellen’, ahd. blāsan ‘blasen’, blāsa ‘Blase’, blāst ‘Blasen, Hauch’, ags. blǣst, aisl. blāstr (*blēstu-) ‘Blasen, Hauch, Schnauben, Zorn’;
lett. blèņas ‘Possen’ stammt aus dem russ. Lw. blèdis ‘Betrüger’.
Hierher vielleicht got. blōþ ‘Blut’, s. bhel-4.

WP. II 177 f., WH. I 515, 524 f.Dazu bhel-4 ‘blühen’ usw. und die Erweiterungen bhelg̑h-, bhlē̆d-, bhleg-, bhlei-, bhleu- ‘schwellen’ usw.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal