Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

blaken - (gloeien, in vuur en vlam staan)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

blaken ww. ‘gloeien, in vuur en vlam staan’
Mnl. blaken ‘branden, in vuur en vlam staan, schitteren’ [1240; Bern.], blakende root ‘gloeiend rood’ [1287; CG II, Nat.Bl.D], ‘brandstichten’ [1488; MNW]; vnnl. blaecken ‘(doen) ontvlammen, gloeien, fonkelen’ [1599; Kil.].
Mnd. blaken; on. blakra (vorm met -r-) ‘flikkeren’; < pgm. *blak-. Verder met umlaut (< pgm. *blakjan-): mnl. blecken ‘ontvellen, schillen, uitplunderen’ en daarnaast ohd. (Opperduits) blecchan ‘schitteren’ (nhd. blecken ‘blikkeren, grijnzen’); ofri. blesza ‘ontbloten’.
Verwant met Grieks phlégein ‘branden, verzengen, aansteken’, phlégma ‘brand, gloed’ (zie → flegma); bij de wortel pie. *bhleg-. Uit de nultrap van deze wortel, pie. *bhlg-, stammen Latijn fulgere, fulgēre ‘schitteren, bliksemen’, flagrāre ‘vlammen, branden’, zie → flagrant.
blaker zn. ‘kandelaar’. Mnl. blaecker ‘(hang)lamp, vuurpan’ [1428; MNHWS]; vnnl. blaecker [1599; Kil.]. Afleiding van het werkwoord. Ook Sranantongo brakri ‘kandelaar’. ♦ blakeren ww. ‘zengen’. Mnl. blakeren, blaeckeren, blaackeren ‘vuren branden of stoken’ [ca. 1415; MNHWS]. Frequentatiefvorm van blaken.

EWN: ♦ blaker zn. 'kandelaar' (1428)
ANTEDATERING: Van enen blaker voer tglasvinster 'voor een (hang)lamp voor het raam' [1317; iMNW]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

blaken* [branden, gloeien] {1201-1250 in de betekenis ‘branden, in gloed staan, in brand steken’} middelnederduits blaken [branden], verwant met latijn flagrare [branden, gloeien], grieks phlegein [branden] → vlam.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

blaken ww., mnl. blāken ‘branden, schitteren, in brand steken’, mnd. blāken ‘branden’. Daarnaast staat mnl. blecken ‘de schors afnemen, uitplunderen’, ohd. blecchen ‘schitteren’, nhd. blecken ‘(de tanden) laten zien’, ofri. blesza ‘ontbloten’, waarnaast mnl. nnl. dial. blec ‘land dat even boven het water uitkomt’ dus ‘in de zon schittert’, vgl. bleek en verder blaker. — Idg. verwanten zijn lat. flagrāre ‘vlammen, branden’, fulgēre ‘bliksemen’, gr. phlégō ‘branden’, phlóks ‘vlam’, lit. blágnytis ‘helder worden’ (IEW 125) van de idg. wt. *bhleg, waarvoor zie: blijken (zie hier ook voor de verhouding blaken en blijken).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

blaken ww., mnl. blāken “branden, schitteren, in brand steken”. Bij het trans. blāken sluit zich mnl. blākeren “vuren branden of stoken”, nnl. blakeren aan. Hierbij ook nog mnl. blāker m. “lamp, vuurpan, kandelaar”, nnl. blaker. Vgl. mnd. blāken “branden, gloeien”, ags. blæcern o. “kandelaar” (NB. mnl. Zutphen 1468 blēkeren “id.”), on. blakra “flikkeren”, mnl. blecken “ontvellen, de schors afnemen, uitplunderen” (nog dial., ook = “glanzen, zich vertoonen”, wvla.), ohd. blecchen “schitteren”, nhd. blecken “(de tanden) laten zien”, ofri. blesza “ontblooten”, mnl. blec “land, dat even boven water uitkomt”, nnl. dial. blek, blik “id.”, wvla. blekland, blekaard “een soort witachtige grond” enz. Zie ook blikaars. De bet. van mnl. blecken is uit “blootleggen” < “zichtbaar maken” ontstaan. Buiten ʼt Germ. vgl. ier. blicht (*bhleĝ-tu-) “schittering”, lat. flagro “ik vlam, brand”, gr. phlégō “ik vlam”, phlóks “vlam”, oi. bhrấjati, -te, av. brâzaiti “hij schittert”; zie ook blank. Idg. bhleĝ- is een ablautstrap van bheleĝ- (ook met velare g?). Andere trappen in oi. bhárga- “glans”, bhṛ́gu- “een soort mythische wezens” (NB. velare g), lat. fulgur “bliksem”, fulgeo “ik schitter”. NB. De oi. en av. vormen kunnen ook idg. r hebben en hooren dan bij obg. pro-brězgŭ “schemering” en de woordgroep van berk. Voor wortelvarianten zie berk, bleek, blei, bles. Afll. van de kortere basis bhē̆l-, die weer uit bhē̆ + l- bestaat, zijn bij bad te vinden; gr. phalós “schitterend”, en phálios “wit” hebben idg. bhel- of bhǝl-.

[Aanvullingen en Verbeteringen] blaken. Naast mnl. mnd. blāken, mnl. blākeren, blāker zijn vormen met â aan te nemen blijkens achterh. bläoken (blöken) “blakeren, iets kleuren door den rook van het vuur”, N.-Brab. bloken “walmen”, blook “walm, rook”. Wanneer dialectwoorden als Maastr. blākərt “blaker” ontleend zijn aan het beschaafde Ndl., zouden we uitsluitend ndl. grondvormen met â moeten aannemen.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

blaken. Mnd. blāken (blâken?) is in het Mnd. Handwb. niet vermeld. Dial. vormen, door v. Wijk Aanv. genoemd, wijzen op een oorspr. lange vocaal voor een deel van (het gehele?) ndl. taalgebied.
Ags. blæcern o. moet worden geschrapt. Het heeft æ̂ en sluit zich, blijkens de bijvorm blâcern o., aan bij ags. blâc ‘helder, glanzend’ = ndl. bleek.
Ier. blicht ‘schittering’ heeft wellicht oorspr. i (WP. II, 215) en behoort dan bij blijken en bleek.
De herleiding van de basis *bhel- tot een verlenging met -l- van de kortere bij bad besproken basis (zie echter bad Suppl.) voert te ver in de praehistorie.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

blaken ono.w., Mnl. id. + On. blakra + Skr. wrt. bhraj = lichten, Gr. phlégein, Lat. flagrare = branden, flamma (voor flagma), fulgur en fulmen (voor fulgmen): Idg. wrt. bhleg: z. bleek, bliksem en blinken.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Blaken van den vermoedelijken Idg. wt. bhleg = schitteren (van vuur, licht); Germ. blek. Blaak was vroeger dan ook vlam, licht, gloed; vgl.: „Ontelbaar als de blaken (= lichten) aan des hemels firmament.” Frequ. blakeren. Verwant is: bliksem, oudtijds blaexem = blaaksem; ook blinken en blijken (= licht, duidelijk, helder zijn). Zie ook Blik.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

blaken ‘branden, gloeien’ -> Duits blaken ‘branden, gloeien’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans dialect blaker ‘branden’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

blaken* branden, gloeien 1240 [Bern.]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

bhlag̑- ‘schlagen’

Lat. flagrum ‘Geißel, Peitsche’, flagellum ds., mit Dehnstufe wahrscheinlich flāgitō, -āre ‘zudringlich und mit Ungestüm fordern, dringend mahnen’ (ursprgl. wohl mit Schlägen und Drohungen), flāgitium ‘Schandtat, Schändlichkeit, Schande’ (ursprgl. ‘öffentliche Züchtigung und Ausscheltung’; conflages ‘loca in quae undique cōnfluunt ventī’ Paul Fest. 35a scheint verderbt für conflūgēs);
aisl. und nnorw. dial. blaka, blakra ‘vor und zurück schlagen, fächeln, flattern’, aisl.blak ‘Schlag’, aisl. blekkja (*blakjan) ‘schlagen’ (norw. ‘flackern’), schwed. mdartl. bläkkta (*blakatjan), mndl. blaken ‘fächeln, flattern, schlottern’ (im Germ. lautlicher Zusammenfall mit der Sippe von aisl. blakra ‘blinken’ usw., s. u.*bheleg- ‘glänzen’; so ist z. B. norw. blakra sowohl ‘fächeln’ als ‘glänzen’).
Lit. blaškaũ und bloškiù (-šk- aus -g̑-sq-) ‘hin und her, seitwärts schleudern, hin und her reisen, umhersausen’.

WP. II 209, WH. I 511 f.

bheleg- ‘glänzen’, Erw. von bhel- ds.

bhelg-: ai. bhárgas- n. ‘strahlender Glanz’ (*bhelgos); Bhŕ̥gavaḥ, Pl. ‘mythische Priester des Blitzfeuers’; lett. bal̃gans ‘weißlich’; vielleicht hierher aksl. blagъ ‘gut’, russ. (alt und mtdarl.) bólogo Adv. ‘gut’, eig. ‘licht’ (Gegensatz ‘dunkel’: ‘böse’); toch. AB pälk- ‘brennen, leuchten, sich erhitzen’, A pälk, В pilko ‘Blick’, A polkāṃts ‘Gestirn’ (: lit. bãlgans), В empalkaitte ‘nachlässig’ (Negation + *palk- ‘leuchten’ neben pälk-);
bhleg-: gr. φλέγω ‘brenne, senge, zünde an’, φλεγέθω ‘senge, setze in Brand; intr. brenne, stehe in Flammen’, φλέγμα n. ‘Brand; Entzündung; Schleim’, φλεγμονή f. ‘Entzündung; Leidenschaft; Brunst’, φλεγύας· ἀετός ξανθός Hes. (Adj. ‘feurig rot’) φλόξ, φλογμός ‘Flamme’;
lat. flagrō, -āre ‘flammen, lodern, brennen’, wozu wohl flamma ‘Flamme’ als *flagmā, osk. Flagiuí etwa ‘Fulgurātōrī’; neben flăg- (red.-stufiges *bhlegró-, *bhlegmā́ oder wegen φλογμός, φλόξ eher *bhlogmā) steht schwundstufiges bhl̥g-, lat. fulg- in lat. fulgō und fulgeō, -ēre, fulsī ‘blitzen, schimmern, leuchten’, fulgor, -ōris ‘das Blitzen, Schimmer, Glanz’, fulgus, -uris ‘Blitz, Schimmer’, fulmen (*fulgmen) ds.;
mir. imblissiu ‘Augenstern’ (*m̥bhi-bhl̥g-s-, Vendryes RC. 40, 431 f);
ahd. blecchen (*blakjan), mhd. blecken ‘sichtbar werden, sehen lassen’, nhd. blecken ‘die Zähne zeigen’; ahd. blecchazzen, mhd. blecken ‘blitzen’, mndl. nndl. blaken ‘flammen, glühen’, ags. blæcern, blacern ‘Leuchter’, aisl. blakra ‘blinken’; hierher wohl als ‘angebrannt (vgl. nd. blaken von rußender Lampenflamme), angerußt’, ags. blæc ‘schwarz’, n. ‘Tinte’, ahd. blah ds.; nasaliertes germ. *blenk-, *blank- in mhd. nhd. blinken, mhd. blinzen (*blinkatjan), nhd. blinzeln (daneben mit germ. g älter dän. blinge ‘blinken’ u. dgl., s. Falk-Torp u. blingse); ahd. blanch, mhd. blank ‘blinkend, glänzend, weiß’, nhd. blank, ags. blanca m. ‘Roß’ (eig. von heller Farbe, vgl.:) aisl. blakkr ‘fahl’, poet. ‘Roß’ (‘Falbe, Schimmel’), aschwed. blakker ‘fahl, falb’, aber auch ‘schwarz, dunkel’ (aus dem Germ. entlehnt frz. blanc, ital. bianco). Von dieser Nasalform auch pr. blingis ‘Bleihe’;
lit. blágnytis ‘sich ausnüchtern; sich aufhellen’, alit. blinginti ‘glänzen’.
Eine Variante auf -g̑- vielleicht in lett. blãzt ‘schimmern’, blãzma (blāg̑-ma) ‘Widerschein am Himmel’.

WP II 214 f., WH. I 510 f. 865, Pedersen Toch. 162, 218, Van Windekens Lexique 17, 98, EM. 398.Neben bheleg- steht gleichbedeutendes bhereg̑-, s. dort.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal