Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bladder - (holle oneffenheid)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

blaar 1 zn. ‘huidzwelling’
Mnl. bladere ‘blaasje’ [1240; Bern.], blader, bladren (mv.) [1287; CG II, Nat.Bl.D] naast blaer [1479; MNW]; vnnl. ook bladder ‘holle oneffenheid’ [1630; WNT].
Ontstaan door syncope van de -d- uit de oudere vorm blader; bij bladder is de -d- gegemineerd vóór de -r- (Schönfeld 1970, par. 52), zoals ook bij dialectisch botter naast → boter en bij → wakker naast waken.
Os. blādara ‘blaar, pukkel’; ohd. blāt(a)ra ‘blaar, pukkel’ (nhd. Blattern (mv.) ‘pokken’); nfri. blier ‘blaar’; oe. blǣdre ‘blaar, (urine)blaas’ (ne. bladder ‘blaas’), on. blaðra (met ablaut < *blaðron) ‘blaas, blaar’ (ozw. blædhra); < pgm. *blēdrōn-, bij een wortel pgm. *blē- ‘opzwellen’, die verband kan houden met → blazen, maar ook met → bal 1.
bladderen ww. ‘bladders krijgen’ [1873; WNT]. Afleiding van bladder.

EWN: ♦ bladderen ww. 'bladders krijgen' (1873)
ANTEDATERING: doen bladderen 'blaren doen krijgen' [1745; Miller 1, 60]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bladder* [blaas (van verf)] {1630} met dubbele d voor r (evenals in ladder), uit middelnederlands blader, blaer [blaar] (vgl. blaar2).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

blaar I. De vorm bladder, waarbij het ww. (af)b1adderen is uit blâder ontstaan door verlenging van de consonant en verkorting van de vocaal als in ladder.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

bladder, blaaier, zn.: blaar. Mnl. blader, waaruit door d-syncope Ndl. blaar en Brabants blaaier, met j-glijder. Os. bladara, Ohd. blatara, D. Blatter. Verwant met blaas, blazen.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

bladder zn.: blaas op de huid, uitslag, brandblaar; blaas op geverfd hout. Alleen de tweede betekenis is Standaardnederlands. Met verdubbelde d voor r (vgl. Ndl. ladder) < Mnl. blader(e) ‘blaar’, Vnnl. blader, bleine oft puust (Lambrecht), blader, blaere, puyste ‘pustula’ (Kiliaan). Os. blâdara, On. blaðra, Ohd. blât(a)ra, D. Blatter (eveneens met verdubbelde t), E. bladder. Met –tro-suffix bij Idg. bhlê- ‘opblazen, opzwellen’, waarbij ook blazen, D. blähen (vgl. blaai). Vandaar ww. bladderen ‘blazen vertonen’ (ook Ndl.).

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

bladder (DB), bledder (DB, FV), zn. m.: blaas, blaar. Mnl. blader > met d-syncope blaar. Vroegnnl. blader, bleine oft puust ‘ampoulle, cloche ou pustule’ (Lambrecht), blader, blaere, puyste ‘pustula, vesicula, tuber, tuberculum’. Os. blâdara, Oe. blædre, E. bladder, Ohd. blâtara, Mnd. blader, D. Blatter ‘blaar’, die Blattern ‘de pokken’. Idg. *bhlê ‘opblazen, opzwellen’. Verwant met blazen. Samenst. korsebledder (Westkappel FV) ‘koortsblaas’, vgl. Wvl. kur(t)seblare.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal