Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

blaam - (smet)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

blameren ww. ‘te schande brengen, kleineren’
Mnl. blameren ‘id.’ [1265-70; CG II, Lut.K]. Daarnaast ook blasfemeren [1276-1300; CG II, Lut.A].
Ontleend aan Oudfrans blâmer ‘id.’, eerder blasmer [1050; Rey], via vulgair Latijn *blastemare ontwikkeld uit christelijk Latijn blasphemare ‘god lasteren; verwijten’ (waaruit de andere Middelnederlandse vorm) < klassiek Latijn blasphēmāre ‘lasteren’ < Grieks blasphēmeĩn ‘lasteren’, zie → blasfemie.
blaam zn. ‘smet, afkeuring’. Mnl. blame ‘smet, vlek’ [1265-70; CG II, Lut.K], sonder blame ‘onberispelijk’. Ontleend aan Oudfrans blâme ‘afkeuring’ [ca. 1100], afleiding van blâmer. ♦ blamage zn. ‘schande, oneer’. Nnl. blamage [1929; WNT Aanv.]. Ontleend aan Duits Blamage [1781], alwaar het een pseudo-Franse afleiding is van het werkwoord blamieren < Frans blâmer. In de Duitse studententaal werd destijds een reeks van schertswoorden op -age (zie → -age) gevormd, zoals ook Renommage ‘bluf, grootspraak’. In het Nederlands is blamage in de plaats gekomen van ouder blamatie ‘belediging, kwaadsprekerij, laster’ [1512; WNT Aanv.], een Nederlandse afleiding van blameren.

EWN: ♦ blamage zn. 'schande, oneer' (1929)
ANTEDATERING: Blamagen 'pijnlijke mislukkingen' [1877; Heldersche en Nieuwedieper courant (AA) 21/1]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

blaam [smet] {blame 1265-1270} < frans blâme, van blâmer (vgl. blameren).

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

blaam

Blaam is: slechte naam, ongunstige reputatie en ook: berisping, hoorn, schande. Men spreekt over een ridder zonder vrees of blaam: een ridder, die nergens bang voor is en die een vlekkeloze naam draagt. Evenals het Engelse to blame gaat blaam terug op het Franse blâmer, dat afkomstig is van het Latijnse blasphemare, een uit het Grieks overgenomen werkwoord dat letterlijk betekent: schandelijke dingen zeggen, in het bijzonder: schandelijke dingen zeggen over de Goden. Het is samengesteld uit blapto: schade doen en phèmi: spreken. Ons blasphemie is dan ook: godslastering. Verwant zijn natuurlijk blameren: iemand in een kwade roep brengen, en blamage: smaad, schande.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

blaam znw. v., mnl. blāme ‘slechte naam, schande, zonde, gebrek’, naast het ww. blamen ‘lasteren, laken’ over fra. blâmer (sedert de 12de eeuw bekend) < lat. blasphemāre ‘lasteren’ < gr. blasphēmeĩn.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

blaam znw., mnl. blame “slechte naam, schande, hoon, zonde, gebrek, ongemak”, waarbij ʼt ww. blamen “lasteren, laken”. Evenals eng. to blame (meng. blamen) “id.” uit fr. blâmer (waarbij ʼt znw. blâme) dat op lat. blasphêmâre, gr. blasphēmeĩn “lasteren” teruggaat. Blamêren komt reeds mnl. voor = “lasteren, laken”, hd. blamieren (eerst “beschimpen”, dan in dezelfde bet. als nnl. blameren) eerst in de 17de eeuw.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

blaam v., Mnl. blame, uit Fr. blâme, blasme, blasmer van Gr.-Lat. blasphemare = lasteren, saamgesteld met een afleid. van Gr. bláptein = kwetsen, schaden, en phēmí = ik spreek (z. ban).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Blaam van ’t Fr. blâme (d.i. oorspr. blasme) en dit van ’t Gr. en Lat.: blasphemum = laster.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

blaam smet 1265-1270 [CG Lut.K] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal