Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bizon - (herkauwer)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bizon [rundergeslacht] {1824} < frans bison < latijn bison < grieks bisōn [oeros], uit het germ., vgl. wisent.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bizon of bison znw. m., eerst nnl. < fra. bison < lat. bison, gr. bísōn. Dit woord is zelf weer uit het germ. overgenomen (in het Latijn het eerst genoemd bij Seneca, in het Grieks bij Pausanias, dus 1ste tot 2de na Chr.). Het germ. woord luidde *wisunda, vgl. ohd. wisunt, wisant, mhd. wisent (nhd. wisent), mnl. mnd. wesent, oe. wesand, weosend, on. visundr.

De herkomst van het germ. woord is onzeker: 1. evenals pr. wissambrs ‘oeros’ genoemd naar de scherpe moskusstank, vgl. lat. virus ‘stank, slijm’, visio, vissium ‘stank’ (Schrader, Reallex. 609). — 2. uit een grondvorm *u̯isṇ-to bij oi. viṣāna ‘horen’, dus dan het gehoornde dier (H. Petersson, KZ 47, 1918, 131); maar de horens zijn niet kenmerkend voor het dier.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bizon, bison znw., eerst nnl. Ook in andere germ. talen. Uit fr. bison, gr.-lat. bison en dit weer uit het Germ.: ohd. wisunt, -ant m. (nhd. wisund), ags. wësend, weosend, on. visundr m. “bizon”. Hierbij wsch. ook behalve de ohd. namen Wisunt, Wirunt de herulische Ouísandos. Buiten ʼt Germ. vgl. gall. Vesontio “Besançon”. Men heeft idg *wes-ont-, -ṇt- met oi. úṣ-ṭra-”kameel” gecombineerd. Anderen nemen germ. i-vocalisme aan: men heeft opr. wissambrs’ “ever”, e.a. woorden vergeleken, zonder veel resultaat.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bizon m., uit Fr. bison, van Lat. bisonem (-on), Gr. bísōn, en dit uit het Germ. : Ohd. wisunt (Nhd. wisent), Ags. weosend, On. visundr, wellicht een afleid. van Ohd. wisa (Nhd. wiese) = weide (z. wezel).

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

bizon (Frans bison)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bizon ‘buffel’ -> Indonesisch bison ‘buffel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bizon herkauwer 1770 [Papillon] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal