Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bio- - (biologisch)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

bio- voorv. ‘biologisch’
Nnl. biogas ‘gas gewonnen uit huishoudelijk afval’ [1982; Reinsma 1984], Bio-bak [1992; Coster 1999].
Afkorting van het bn. biologisch ‘milieuvriendelijk’ [1999; Dale], een betekenisuitbreiding van het oudere woord biologisch ‘op de biologie betrekking hebbend’ die ontwikkeld is onder invloed van biologisch-dynamische landbouw ‘milieu-vriendelijke landbouw’.
De productiviteit van dit voorvoegsel in deze betekenis is betrekkelijk jong. In oudere woorden met bio-, zoals → biografie ‘levensbeschrijving’, biochemie ‘chemie die de levende stof bestudeert’ [1886; Sijs 2001], biologie ‘leer der levensverschijnselen’ [1824; Weiland], is het eerste woorddeel een afleiding van Grieks bíos ‘leven’ (zoals in bijv.amfibie en → bioscoop; verwant met → kwiek en bijv. Latijn vīta ‘leven’ zoals in → vitaal) en wordt het ook in andere talen gebruikt. Deze oudere betekenis heeft bio- ook nog in het relatief jonge woord bio-industrie, dat letterlijk ‘industrie van levend goed’, ofwel ‘sterk gemechaniseerde dierenfokkerij’ [1975; Reinsma], dat dus geen ‘biologische’ of ‘milieuvriendelijke industrie’ betekent.

EWN: bio- voorv. 'biologisch' (1982)
ANTEDATERING: 150 tot 730 kubieke meter biogas [1955; Friese koerier (KB) 25/1]
Later: bio-industrie [1970; LC 29/10]; Biobak [1987; Leidsche courant (Ld) 17/9] (EWN: 1992)
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bio- [voorvoegsel met de betekenis ‘leven’] {in bv. biologie 1824} < grieks bios [leven], verwant met gotisch qius, engels quick, nederlands kwiek, latijn vivus [levend].

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

bio- (Grieks bio-)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bio- ‘voorvoegsel met de betekenis: leven’ -> Indonesisch bio ‘voorvoegsel met de betekenis: leven’.

Dateringen of neologismen

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

bio, verkorting van bibliografie. → biopic*.

‘Man, mythe, krankzinnige, vuilnishoofd’, noemt zijn platenmaatschappij hem in de bio. (Oor, 15/06/85)
Volgens de bio lijkt zanger Souza op enkele songs zelf te zingen. (Fabiola, februari 1988)
Belangrijker dan de bio was de tape die erbij zat. (Metal Hammer, januari 1988)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal