Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bingo - (geluksspel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

bingo zn. ‘geluksspel’
Nnl. bingo ‘geluksspel’ [1970; Dale], als tussenw. bingo! ‘raak!’ [1985; Coster 1998].
Ontleend aan Amerikaans-Engels bingo [1929; BDE], van onzekere oorsprong.
In de 17e eeuw kwam in het Engels het woord bingo reeds voor als slangwoord voor de sterke drank → brandy. Wrsch. was bingo een samenstelling uit brandy en stingo ‘een sterk soort bier’, een afleiding van het werkwoord sting ‘steken’. Het is mogelijk dat dit woord een uitroep is geworden en als zodanig betrekking heeft gekregen op het spel, waar de winnaar Bingo! roept. Rees stelt een andere mogelijke verklaring voor: in 1919 zag Edwin Lowe tijdens een kermis bij Jacksonville (Florida) dat er een spel gespeeld werd waarbij bonen op een genummerde kaart gelegd werden. Dit spel had verschillende namen: beano (naar de bonen), Keno, Loo, Housey-Housey. Lowe maakte het spel bekend en populair. Toen een van zijn vrienden won, stamelde hij B...b...bingo in plaats van Beano. Waarom hij echter voor de uitroep bingo! heeft gekozen, blijft onduidelijk.
Lit.: N. Rees (1991) Bloomsbury Dictionary of Phrase and Allusion, London; Sijs 1998, 111-112; Coster 1998

EWN: bingo zn. 'geluksspel' (1970)
ANTEDATERING: dat men ... Bingo speelt [1938; Vaderland 23/6] (EWN: 1970)
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bingo [hazardspel] {na 1950} < engels bingo, mogelijk samengetrokken uit brandy en stingo [een sterk soort bier], van to sting [steken] (slang).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

bingo s.nw., tw.
Soort kaartspel, of uitroep soos dié waarmee iemand so 'n kaartspel wen.
Uit Eng. bingo (1927 as tw., 1936 as s.nw.).
Die herkoms van Eng. bingo 'kaartspel' is onseker. Dit kan egter verband hou met Eng. bingo, 'n slengterm vir brandewyn, wat 'n sametrekking van brandy en stingo 'sterk soort bier' is, met lg. uit sting 'steek'. Die kaartspel gaan gewoonlik met die drink van sterk drank gepaard. Die uitroep is afgelei van Eng. bing wat klanknabootsend is vir 'n skielike kapgeluid of hou en is dus 'n reaksie op iets wat skielik of met 'n slag gebeur.
Ndl. bingo (1970).

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

bingo (Engels bingo)

N. van der Sijs (1998), Geleend en uitgeleend: Nederlandse woorden in andere talen en andersom, Amsterdam

bingo

De naam van het kansspel bingo doet in 1970 zijn intrede in de Grote Van Dale. Bij bingo krijgt iedere speler een kaart met 25 nummers tussen 1 en 75, die in een vierkant staan. Een omroeper leest willekeurige nummers op en de eerste speler die vijf nummers op een rij heeft, roept bingo! en wint daarmee het spel. Daardoor kreeg bingo de betekenis ‘raak, hoera’: het is weer bingo.

Vergelijkbare spelen bestonden al eeuwen. Nederlandse voorlopers zijn kienen en lotto, in Groot-Brittannië speelde men house of housey-housey en in de V.S. bestonden en bestaan spelletjes met namen als keno, kino, po-keno, bean-o en loo. In België is keno momenteel een zeer populair spel, waarvan de uitslagen zelfs op de Belgische t.v. worden uitgezonden, zoals in Nederland die van de toto. Het spel bingo werd door de Amerikaanse speelgoedfabrikant Edwin Lowe in 1929 gelanceerd als een nieuw gezelschapsspel. Het werd zeer populair, vooral in Engeland, toen het in 1960 bij de wet werd toegestaan commerciële bingohallen in te richten en bingoavonden te organiseren.

Hoe kwam Lowe nu aan de naam bingo? Hiervoor zijn verschillende verklaringen in omloop. Wetenschappers begonnen met te kijken of het woord bingo al langer bestond. En jawel: al in zeventiende-eeuws Engels kwam het woord bingo voor, en wel als slang­woord voor sterkedrank, brandy. Dit woord was kennelijk een grappige samentrekking van B, de eerste letter van brandy, en stingo ‘een sterk soort bier’, een afleiding van to sting ‘steken’. Bingo voor sterkedrank was inmiddels echter verouderd, en bovendien eerder Brits dan Amerikaans.

In de Oxford English Dictionary worden in de jaren twintig van deze eeuw voor het eerst de uitroepen bing en bingo vermeld. Bing wordt voor het eerst in 1922 genoemd. Het zou klanknabootsend gevormd zijn, en werd bijvoorbeeld door P.G. Wodehouse gebruikt: ‘Always getting ideas — bing — like a flash.’ Bingo is wat later opgetekend en zou een afleiding van bing zijn. In het toneelstuk The Ringer van de Britse schrijver Edgar Wallace uit 1927 zegt iemand: ‘I just laid my hands on him when — bingo! I was on the ground.’ De uitroep kan in deze context niet afgeleid zijn van die van het spel, want dat is pas in 1929 gelanceerd, en wordt voor zover bekend pas in 1936 voor het eerst in het Brits-Engels genoemd. In het Amerikaans-Engels wordt de uitroep voor het eerst in 1937 genoemd, ook in sportieve context: ‘Anyone who has taken part in outdoor sports [...] has heard the exclamation “bingo”.’ Ook het Amerikaanse woordenboek van Mathews ziet dit als een klanknabootsende uitroep, hoewel het qua tijd in het Amerikaans wel afgeleid zou kunnen zijn van de spelnaam.

Al deze woorden zullen meegespeeld hebben bij de verbreiding en popularisering van het woord bingo, maar of het spel naar deze woorden genoemd is, is de vraag. Een vraag die Nigel Rees, de grote Britse kenner van uitdrukkingen, woorden en citaten, negatief beantwoordt. Volgens hem is de naam ontstaan door een toeval. In 1919 zag Edwin Lowe op een kermis bij Jacksonville, Florida, mensen een kaartspel spelen. Zij noemden het spel bean-o, naar de bonen (beans) die op een genummerde kaart gelegd werden. In de daaropvolgende tien jaar ontwikkelde Lowe dit spel, voordat hij het op de markt bracht. Hij ontleende de naam aan een voorval met een van zijn vrienden. Toen deze namelijk eens won, stamelde hij B...b...bingo in plaats van bean-o, en dit bracht Lowe op de naam van het spel.

L. Koenen, R. Smits (1992), Peptalk, De Engelse woordenschat van het Nederlands

bingo [bingoo:] 1. kienspel; 2. uitroep: hebbes! Raak!

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bingo hazardspel 1968 [KWT] <Engels

bingo tussenwerpsel: uitroep na een rake opmerking 1985 [De Coster 1999] <Engels

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

bingo, informele uitroep van verrassing, gewoonlijk in reactie op iets dat plots, snel en onverwacht gebeurt: ‘hoera; raak’.

Ondanks alle tegenwind toch even twee bingo’s op deze plaat, kwestie van even aan de oude vrienden te laten horen dat de magie nog wel degelijk in de vingers zit. (Humo, 24/01/85)
Als je die mensen rond een tafel zet en je moedigt ze wat aan is het altijd bingo. (Panorama, 05/02/85)
Op die eerste reis was het meteen bingo. (Oor, 19/04/86)
Toen kwam ik erachter dat ze ook in Nieuwegein woonde, dus dat was meteen bingo! (Vrij Nederland, 17/10/87)
Maar goed, eenmaal thuis aangekomen zo gauw mogelijk de monitor uitgepakt om hem aan te sluiten. En ja hoor bingo, het paste niet. (Computer thuis in bedrijf, nr. 9/96)
Het is bingo als Borst toegeeft dat nu maar even pas op de plaats gemaakt moet worden met die marktverwerking en nog eens bingo als hij erin slaagt PvdA-woordvoerster Margo Vliegenthart aan zijn zijde te krijgen. (HP/De Tijd, 04/04/97)
Het is hier echt niet iedere dag bingo. Maar als er nu iets mislukt, is het mijn fout en kan ik niemand de schuld geven. (De Volkskrant, 07/05/97)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal